Een kwarteeuw geleden: mijn eerste islamkritiek Print
Written by Koenraad Elst   
Monday, 09 November 2015 17:03

 

 

(3 maart 2014, enkele dagen later in zeer "persklaar gemaakte" vorm gepubliceerd in De Bron)

 

Juist een kwarteeuw geleden publiceerde ik mijn eerste islamkritisch artikel. Het beschreef de voorgeschiedenis van het doodvonnis door ayatollah Chomeini over de schrijver Salman Rushdie, een zaak die een half jaar eerder in India losgebarsten was met een verbod op zijn pas verschenen boek De Duivelsverzen. Mijn tekst verscheen op de eerste bladzijden van het kommunistische weekblad Toestanden (3 maart 1989), en was de aanleiding voor lezingen bij de Brusselse en Sint-Niklase afdeling van het Masereelfonds. In die tijd was de linkerzijde nog anti-religie en verwelkomde zij dus islamkritiek.

 

 

Islamofiele praatjes

 

Dat feit zelf weerlegt heel wat praatjes over mijzelf die mij ten gehore komen. Zo vertelt men wel eens dat “1 september 2001 een golf van islam-bashing op gang bracht”. Aangezien de daders van de aanslagen in Washington en New York zich uitdrukkelijk op de islam beriepen, lijkt het mij maar normaal dat mensen de islam tegen het licht gingen houden, sommigen op een geleerde en anderen op een minder gesofistikeerde manier. Dat heeft echter niets met mij te maken, en de verklarende waarde voor mijn eigen bijdrage tot de islamkritiek is nul komma nul. Ik schreef al twaalf jaar eerder over de islam, en de eerste aanleiding daarvoor was een ontmoeting in Varanasi 1988 met een familie vluchtelingen uit Bangladesj, die pas na intens pramen met grote moeite het verhaal van hun vervolging door hun moslimburen prijsgaven. (Daaraan herken je de echte vluchtelingen: daarentegen komen asielzoekers die hoog opgeven over hoe ze gefolterd zijn, een ingestudeerd verhaaltje opdissen.) Overigens waren die vluchtelingen net zo donkerhuidig als hun buren, en had hun en mijn verhaal niets met “racisme” te maken. Mocht er ooit iemand tegenover mij de dooddoener “racisme!” bovenhalen, dan is hij ipso facto schuldig aan laster; en sedert racisme in België als strafbaar feit geldt, is hij ook schuldig aan eerroof – zelf een strafbaar feit.

 

Sedert de jaren 90 wordt islamkritiek in Vlaanderen ook herleid to “Vlaams Blok!” Het duurde meer dan drie jaar na mijn eerste en meerdere volgende artikelen eer die partij mij uitnodigde voor een lezing. Waarschijnlijk hadden ze daar mijn gastcolumns in de Gazet van Antwerpen opgemerkt, waaronder Moordwapens en Dooddoeners over het voorbeeldgedrag van de Profeet in het vermoorden of terechtstellen van islamkritische schrijvers. In ieder geval ging het initiatief slechts uit van enkele partijtenoren tegen de algemene partijlijn in: die was toen nog anti-vreemdeling, met heel soms de islam als exotisch kenmerm, zonder inhoudelijke islamkritiek. Integendeel, in die tijd nodigden de Nationalistische Studenten onder leiding van huidig VB-parlementslid Bart Laeremans nod de Afghaanse islamstrijders uit om een lezing te geven over hun “vrijheidsstrijd” tegen de Sovjets. Nog in 1996 verklaarde partijvoorzitter Frank Van Hecke dat het boeddhisme hem wegens “vreemd” evenzeer tegenstond als de islam. Pas eind van de jaren ’90 kwam er een duidelijke bocht in de partijlijn richting islamkritiek. Zelfs dan waren er partijleden, vooral de nostalgici naar damals, die de islam als bondgenoot tegen het joodse gevaar en tegen de zedenverwildering verkozen; in 1992 was die strekking nog dominant. De tekst van mijn optreden werd de kern van mijn latere boek De islam voor ongelovigen (1997). Alle commentatoren die mijn tekst daadwerkelijk gelezen hadden, zowel van VB-zijde (Marc Joris) als ter linkerzijde (Patrick Stouthuysen, Lucas Catherine) merkten op dat mijn pro-assimilatiestandpunt lijnrecht inging tegen de toenmalige partijlijn, die pro terugkeerbeleid was, met ondermeer een apart onderwijsnet voor vreemdelingen. Toch komt elke uiting van islamkritiek je in Vlaanderen automatisch op de kreet “VB-er!” te staan.

 

Helemaal absurd is het recente uitvindsel van een “gematigde moslim”, die het tegen mij misprijzend over mijn “goeroe” Geert Wilders had. Hij gaf er daarmee blijk van, mijn bronnenonderzoek over de islam niet gelezen te hebben maar er toch een mening over te spuien. Islamapologeten zijn inderdaad typisch “under-informed but over-opinionated”. Echter, zelfs zonder ooit een boek open te slaan had hij kunnen weten dat hij onzin vertelde: ik schreef al over het islamprobleem in 1989, een 15 jaar voor Wilders zijn partij, de liberale VVD, verliet en zich stilaan tot spraakmakend islamcriticus ging ontpoppen. Het zijn politici die bij geleerden de rade gaan, niet omgekeerd. Wilders heeft zich terdege bij islamkenners geïnformeerd, vooral bij arabist Hans Jansen en bij de Amerikaans-Libanese post-2001 islamanalyst Robert Spencer. Sindsdien ontplooit hij een politieke lijn tegenover het islamprobleem die veel beter geïnformeerd is dan de multiculturalistische lijn van zijn tegenstanders, maar die nog altijd maar een vereenvoudigde versie is van wat islamkenners bij elkaar gestudeerd hebben. Echter, islamapologeten zijn onwetenden die niets ingewikkelders aankunnen dan politieke slagzinnen, en heus geloven dat islamkenners daar de mosterd gehaald hebben.

 

 

Het landschap sindsdien

 

De jaren ’90 werden gekenmerkt door een radicale verschuiving van de linkerzijde tegenover de islam. Eerst vrijzinnig antireligieus en anticonservatief, enkele jaren later zodanig islamofiel dat zelf kras obscurantistische gebruiken als de gelaatbedekking en de vrouwenbesnijdenis op “begrip” konden rekenen. Het hele arsenaal van linkse machtsposities in academia en de media, linkse retorische kracht en linkse haat werd in dienst van de islam gesteld. Een illustratie van deze evolutie was de fatwa van Yves Desmet (De Morgen) tegen islamkenner prof. Urbain Vermeulen. Universiteiten die vroeger al eens oriëntalisten benoemden die zich tot islamcritici ontpopten, zijn veel scherper gaan toezien op ideologische conformiteit, en toegeving an de anti-anti-islamhouding van de dominante kringen in de samenleving.

 

Opvallend daarbij is de stelselmatige en volhardende oneerlijkheid van het islamofiele kamp. Een voorbeeld is de recente artikelreeks over “racisme” in de voormalige kwaliteitskrant De Standaard, die grondig en doelbewust een amalgaam maakte tussen racisme en islamkritiek. Deze wordt met een militant-islamitische term als “islamofobie” letterlijk tot geestesziekte verklaard en effectief gecriminaliseerd. Een minder elitair medium zou ter verschoning misschien onwetendheid kunnen pleiten, maar De Standaard is het aan zijn zelfbeeld verschuldigd, deze uitleg te versmaden. Dan blijft als verklaring alleen kwade trouw.

 

Zogenaamd gematigde moslims, die het negatieve publicitaire effect van de radicale islam betreuren, nemen het vertoog van de linkse islamofielen over. Zij vinden een “échte, gematigde islam” uit, die zou verschillen van de “fanatieke islam” of het “islamisme”. Deze mediatieke (maar volgens Tayyip Recep Erdoğan onbestaande) “échte” islam moet dan als eerste verdedigingslijn dienen voor de echte, orthodoxe islam.

 

Vele progressieven voelden wel de islamvijandige stemming bij de bevolking aan, en probeerden daarom een beetje als progressief en kritisch over te komen maar tegelijk de kritiek naar andere doelwitten dan de islam te kanaliseren. Dat Taslima Nasrin sedert 1993 in Bangladesj vervolgd werd, lag niet aan haar feministische engagement, zoals onze media beweerden, maar aan haar pleidooi tegen de gewelddadige vervolging van de hindoeminderheid in december 1992; dat werd door de meesten van haar talrijke sympathisanten bij haar EU-prijsuitreiking hardnekkig ontkend of verdraaid. Momenteel vraagt Annemie Struyf wat aandacht voor het probleem van de vrouwenbesnijdenis, maar de VRT heeft haar reportage wel naar niet-islamitisch Afrika afgeleid, terwijl de overgrote meerderheid van de getroffen vrouwen moslima’s zijn. Bovendien zijn praktisch alle gevallen van vrouwenbesnijdenis buiten Afrika, en dat zijn er nog altijd miljoenen en stijgend (Jemen, Koerdistan, Indonesië e.a. landen, en niet te vergeten sommige snel groeiende migrantengemeenschappen in Europa), uitsluitend het werk van de islam. Het is huichelachtig om je verontwaardigd te tonen over de vrouwenbesnijdenis zonder het probleem van de islam aan de orde te stellen. En dat is dus mijn eindoordeel over de officieel gepropageerde islamofilie: een mengeling van onwetendheid en huichelarij.

 

Bij alle ondervonden laster en ostracisme was een grappige troost wel de neerbuigende houding van islamofiele intellectuelen. Vanuit hun krasse onwetendheid over de kerndoctrine van de islam nemen zij airs van superioriteit aan tegenover de feitengetrouwe eenvoud van de echte islamkenners. Wij zouden niets begrijpen van de “ware” islam, het zou aan armoede en imperialisme liggen, wij zouden obsessief met de antieke grondteksten van de islam bezig zijn terwijl elk zinnig mens weet dat “het islamisme” een recente uitvinding is. Ze zijn zoals kinderen die volwassenen meewarig toespreken: “Dat speelgoed dat ’s morgen op 6 december bij de schoorsteen ligt, ze zeggen dat onze ouders dat daar gelegd hebben, maar dat verhaaltje moet je niet geloven, hoor. Dat komt van Sinterklaas.”

 

 

En nu…

 

Het leven is kort, maar langer dan nodig om een eenvoudig onderwerp als de islam te doorgronden. Ik lees nog wel eens iets over de islamgeschiedenis, maar eigenlijk bieden deze doctrine en haar toepassingen mij geen intellectuele uitdaging meer. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zij momenteel geen belang hebben: ik houd mij aanbevolen om mee te werken aan een beleid dat van eerlijke wetenschappelijke kennis over de islam uitgaat, niet van de sprookjes en taboes die het huidige islambeleid moeten rechtvaardigen. Maar aan de islam als doctrine die het handelen van moslims door de eeuwen heen motiveert, valt niets meer te doorgronden. Er blijven wel massaal veel mensen te overtuigen, maar veelal hebben zij de feiten al voldoende gehoord en hebben zij gewoon besloten, er doof voor te blijven. Je kan een paard wel naar de rivier brengen, maar je kan het niet dwingen om te drinken. Sommige mensen zijn nu eenmaal gelukkiger in hun begoochelingen, en alleen onzachte aanraking met de werkelijkheid zal hen daaruit kunnen helpen.

 

Ik heb de islam als probleem ontdekt kort nadat ik in 1988 in de Indiase stad Varanasi aankwam. Ik wilde er eigenlijk het hindoe-boeddhistische denken bestuderen, maar besloot dat de actuele interreligieuze verhoudingen een dringender aandachtspunt vormden. In mijn leven was de islamstudie eigenlijk een tijdelijke omweg. De laatste jaren heb ik de weg naar mijn eerste liefde teruggevonden. En daaraan wil ik in de jaren die mij resten het beste van mijzelf geven.