Goden, voorouders en runen PDF Print E-mail
Written by Koenraad Elst   
Wednesday, 24 November 2010 23:19

 

 

            In de Engelstalige landen voeren hindoes en boeddhisten een campagne onder het motto “I am not guilty”, “mij treft geen schuld”. Onderwerp van dat motto is de swastika, een oeroud zonnesymbool gebruikt door uiteenlopende volkeren dat recent zwart gemaakt is door (associatie met) een duistere politieke stroming. Het oud-Germaanse runenschrift kan ook op een dergelijk eerherstel aanspraak maken.

            Op het schutblad van Pieter Aspe’s politieroman Onvoltooid Verleden (2004) staat een worp steentjes met elk één runenteken, zoals je ze voorverpakt in New-Age-boekhandels kan kopen.      Op de vraag tijdens een radio-interview wat die met de plot te maken hebben, verklaarde hij: “Het speelt zich af in het extreemrechtse milieu.” Dit is welbeschouwd van hetzelfde beledigende gehalte als er Hebreeuwse letters opzetten met als uitleg: “Het gaat nu eenmaal over zwendel.” Er is namelijk niets extreemrechts aan runen, en de overgrote meerderheid van runengebruikers doorheen de geschiedenis hadden nog nooit van het typisch moderne verschijnsel extreemrechts gehoord. Dat wijlen de Vlaamse Militanten-Orde met de odal-rune (naam die “bezit, erfgoed” betekent, omgeduid tot “bloed en bodem”) dweepte, zegt niets over de runen noch over hun ontwerpers.

Tegen de achtergrond van de obsessieve oplegging van moderne randpolitiek aan een alfabet uit een heel andere maatschappij, is het een verademing om twee boeken te kunnen presenteren die de runen in hun authentieke gedaante presenteren zonder enige besmetting door die linkse en rechtse waanwerelden.

 

 

Migrerend schrift, migrerende mensen

Het boek De Vikingen achterna van KUL-germanist prof. em. Johan Nowé is een nuchter feitenrelaas van de Noord-Germaanse cultuur van de Romeinse tot de vroegmoderne tijd. Het is in de eerste plaats opgevat als een geschiedenis van de Vikingen en aanverwante gemeenschappen, maar dan aan de hand van runenbronnen. Bladzijde na bladzijde worden bestaande runeninscripties gereproduceerd en in detail besproken: tekst, vertaling, verklaring. Eerst echter een geschiedkundig overzicht van het runenschrift zelf.

Is dit schriftstelsel niet Scandinavisch, en is zijn populariteit in bepaalde flamingantische kringen geen lichtelijk komische poging om zich een valse Vikingidentiteit aan te meten? Dit laatste kan inderdaad het geval zijn, maar er is wel degelijk een zuiver “inheemse”, namelijk Frankische connectie.

Het runenschrift heeft het langst gebloeid in Scandinavië ter weergave van de Noord-Germaanse dialecten, maar “vele van de vroegste runeninscripties bevatten eigennamen en woordvormen die eerder op een West- dan wel een Noord-Germaanse herkomst wijzen”. West-Germaans is de dialectgroep waaruit ondermeer het Nederlands (West-Neder-Frankisch) is voortgekomen. Het werd rond het begin van de christelijke jaartelling gesproken langsheen de Rijngrens met het Romeinse rijk, waarbinnen het Latijnse alfabet in gebruik was. Een groot deel van de runen is herkenbaar op Latijnse letters gebaseerd, zodat “heel wat runen erg op de hoofdletters van het Latijnse alfabet lijken” (p.19); al dwong het oorspronkelijke schriftmedium, namelijk kerven in hout, hen in een nieuwe, typisch rechtlijnige vorm.

Zoals de meeste alfabetten is het runenschrift via-via uiteindelijk gebaseerd op het Noordwest-Semitische oer-alfabet, gevonden in Oegarit, Syrië, ca. 1600 v.C. Dit schrift gebruikte het acrofonisch beginsel, d.w.z. dat een letter genoemd wordt naar een woord dat met de bedoelde klank begint, bv. ’alef, “stier”, beduidt de ’a-klank (glottisslag vóór beginklinker); bet, “huis”, de b-klank. Die betekenissen werden ook in de letters uitgebeeld: in de letter ’alef herken je een stierenkop met twee horens. In het daarvan afgeleide Hebreeuwse schrift werden de namen van de letters behouden, maar ging de visuele gelijkenis door vervorming grotendeels verloren. Van de Feniciërs namen de Grieken het alfabet over met dezelfde Noordwest-Semitische namen, maar zonder dat deze nog iets betekenden: er bestaat geen Grieks woord alfa of bèta. Ze pasten het bovendien aan hun eigen klanksysteem aan, met aparte letters voor de klinkers.

Dit systeem is dan door de Romeinen en vervolgens de Germanen overgenomen. De Romeinen verlieten het acrofonisch beginsel, maar de Germanen vonden het opnieuw uit: fehu, “vee” (en vandaar “rijkdom”) is de naam voor de f-klank; dagaz, “dag”, voor de d-klank, enz. Naar de klank van de eerste zes letters wordt het alfabet futhark genoemd, met oorspronkelijk 24 letters, maar later kwam er een Scandinavische variant met 16 en een Angelsaksische met uiteindelijk 33 letters.

De stammen die het Romeinse rijk binnentrokken, zoals de Franken, ruilden hun kersverse schrift spoedig in voor het Latijnse origineel. Hetzelfde gebeurde bij hen die nadien door het uitdijende Frankische rijk onderworpen werden, zoals de Saksen. In Scandinavië bleef het runenschrift echter in gebruik tot in de late middeleeuwen, en in de marge zelfs tot in de moderne tijd.

Runenmeesters werden eril of jarl genoemd, waaruit het Engelse woord earl, “graaf” afgeleid is. Nowé citeert een 6de-eeuwse runeninscriptie: “Ik, de eril, sta bekend als de ingewijde.” (p.38) En nog zo een: “Ik, de eril, heb deze runen vervaardigd.” (p.39) Terwijl adeltitels doorgaans naar een antieke militaire rangorde verwijzen, waren deze erils oorspronkelijk eerder een soort koninklijke raadgevers, onderscheiden door hun kennis meer dan door militaire prestaties. Net als bij de Indiase brahmanen was hun symboolkleur wit, zo blijkt uit het Edda-boek Rigsthula, terwijl die van de krijgers rood en die van de werkende klasse zwart was.

Overigens verwerpen jongere geleerden deze verklaring van eril in de zin van “runenmeester” als een vrije invulling door de runologen uit het begin van de vorige eeuw. Het zou eigenlijk een volksnaam zijn, namelijk van de Germaanse stam die in het Latijn bekend stond als de Heruli. Eén van hen was Odoaker, die in 476 de laatste Romeinse keizer Romulus Augustulus opzij zette.

 

Kerstening van de heidenen

 

           De Vikingen waren oorspronkelijk gewoon landbouwers en handelaars die aan een economische expansie toe waren: “niet zozeer krijgszuchtige piraten maar vooral nijvere wroeters” (p.72). Dankzij “revolutionaire technieken bij de bouw en inrichting van hun schepen” (p.117), ondermeer de uitvinding van de kiel, verwierven zij een militair voordeel, en zoiets blijft nooit lang ongebruikt. Voor jonge mannen boden raids overzee een nieuw perspectief om snel buit en roem te vergaren. Aan het eind van de rit, of liever de vaart, zouden er Vikingen heersen op Sicilië en van Newfoundland tot de Wolga.

            Het feest opende in 794 met een waarschijnlijk niet-geplande overval op het Noord-Engelse kloostereiland Lindisfarne: “De Vikingen roofden er de vele kerkschatten, gouden en zilveren liturgische voorwerpen en kostbare handschriften. Ook doodden ze tal van monniken of voerden ze als slaven mee naar hun thuisland.” (p.122) Het gemakkelijke succes werkte aanstekelijk, en de overvallen werden talrijker en systematischer. De Vikingen bouwden vestingen op de kusten, ondermeer in 840 één die een belangrijke havenstad zou worden: Dublin. In 865 stichtten zij in Engeland een eigen staat, bekend als de Danelag, met als hoofdstad Jorwik (York).

Na de Britse eilanden viel hun begerig oog op het vasteland. Ze “hadden het hier niet in de eerste plaats op de kloosters gemunt” doch “richtten de steven naar rijke maar goeddeels onbeschermde steden, die ze zelf reeds als handelsreiziger hadden leren waarderen”. (p.126) Het begon in 826 met de plundering van Dorestad nabij Utrecht, en dan volgden Gent, Keulen, Parijs e.v.a. De Franken probeerden rust te kopen door schatting te betalen, wat de appetijt alleen aanscherpte, of door hoofdmannen een leen te geven (vandaar Normandië). Uiteindelijk zou een militaire oplossing een einde maken aan de invasies op het vasteland: in 891 werden de Vikingen nabij Leuven verslagen door Arnulf van Karinthië.

Hoewel de gemiddelde Vikingraid, anders dan de ghazwa van Mohammeds troepen, geen specifiek religieus oogmerk had, zag de christenheid het Vikingprobleem wel als een “gesel Gods”. Net zoals Franciscus van Assisi en Raimundus Lullus het islamprobleem zochten op te lossen door de moslims te gaan bekeren, verwachtte men vrede met de Vikingen te kunnen bewerken door hen te kerstenen. Dat was sowieso al de bedoeling, maar het stereotiep woeste van deze heidenen scherpte de behoefte om hen door het doopsel te temmen. 

In de 10de-12de eeuw werd deze omslag voltrokken. In het door hen als staat gestichte Rusland bijvoorbeeld: “Overigens assimileerden de Vikingen zich vrij vlug met de autochtone bevolking en bekeerden zij zich omstreeks 990 tot de plaatselijke orthodox-christelijke godsdienst.” (p.148) Zij zouden eigenlijk als rolmodel voor de “weg met ons”-ideologie kunnen dienen: overal waar zij zich vestigden verzaakten zij hun eigenheid door biologische en culturele assimilatie met de plaatselijke bevolking.

Maar ook in eigen land ruilden zij hun eigen religie in voor het opdringende christendom, te beginnen met de heersende klasse. De missionarissen zochten in hen een strategische toegang tot de hele samenleving, en omgekeerd “meenden ook de heersers zelf met het optreden van de missionarissen hun voordeel te kunnen doen. Het leek hen namelijk dat ze, eens gekerstend, als christelijke koningen en dus als ‘gezalfden van God’ een veel groter prestige en macht konden ambiëren.” (p.204) De Kerk hielp de bovenklasse om de aloude gedecentraliseerde en nagenoeg staatloze samenleving in een echt koninkrijk om te vormen. Op de runensteen van koning Harald Blauwtand in Jelling staat: Auk tani karthi kristno, “En hij maakte de Denen christen.” (p.204)

Dat vele bekeringen het gevolg waren van boycot- of strafmaatregelen (of de dreiging daarmee) tegen de heidenen vanwege de christelijke vorsten van Denemarken en Noorwegen is goed gedocumenteerd, bv. voor de collectieve beslissing tot bekering door het IJslandse parlement in het jaar 1000. Een bekend bekeerling was Leif Eriksson, de ontdekker van Vinland in ca. 995, zoon van Erik de Rode, die in 985 Groenland ontdekt had. Hij pleitte bij zijn moeder om zijn heidense vader haar seksuele gunsten te weigeren zolang die in Groenland geen kerk bouwde. Als het erom gaat, mensen tot het verlossende ware geloof te brengen, zijn de vreemdste middelen geoorloofd.

De runen floreerden tot lang na de kerstening. Of beter, juist dán floreerden ze en kregen ze een duurzame vorm op runenstenen. In de kolonisatieperiode, vóór het jaar 1000, waren deze gedenkstenen nog niet gebruikelijk. Van de 150 jaar Vikingheerschappij in grote delen van de Britse eilanden is “jammer genoeg nauwelijks een spoor in de vorm van runeninscripties” bewaard (p.125), en “op IJsland en Groenland is totnogtoe telkens één runeninscriptie uit de Vikingtijd aangetroffen.” (p.130) Omgekeerd “bezitten liefst 60% van de stenen in Uppland een of andere verwijzing naar het christendom”. (p.203) Nowé presenteert bv. enkele inscripties van families die de bedevaart naar Jeruzalem gemaakt hadden. (p.214-215) Nieuwheidense runendwepers wezen dus gewaarschuwd: het runenschrift is niet distinctief heidens, christenen zagen het niet als een te mijden woonplaats der afgoden.

De kerstening maakte de Vikingen niet meteen vrediger. De kerstenaar van Noorwegen, de heilige Olaf II, “maakte jarenlang Friesland, Frankrijk en vooral de Engelse kusten onveilig. Ook aard en omvang van de overvallen kregen een heel andere dimensie. Wat thans voor de Engelse kust opdook, waren niets minder dan grote, geregelde legers, onder leiding van heuse Scandinavische koningen, die overigens, net als de Engelsen, christenen waren.” (p.131) Het is vooral door economische en militaire evoluties dat er aan de Vikingraids een einde kwam, niet door de nieuwe godsdienst.

De Scandinavische overheden hebben de runeninscripties met veel zorg bewaard, en hier en daar van een museum voorzien. Prof. Nowé besluit met een oproep om daar eens wat aan runentoerisme te gaan doen. Slechts terloops verwijst hij naar “de magische functie van de runen, een fenomeen dat we bij de oudste inscripties herhaaldelijk aantreffen”. (p.20) Hij moet niets hebben van hedendaagse zwevers die “beslag leggen op de runentekens” en er “allerlei esoterische en magische krachten” aan toeschrijven: “Het hoeft geen betoog dat dergelijke irrationele praktijken niets van doen hebben met het historisch-cultureel belangrijke fenomeen van de runen als geschreven communicatiemiddel van vooral de Vikingen”. (p.235) Zou het? Daarover handelt een andere nieuwe publicatie.

 

 

Drie maal drie is negen

 

Onlangs zag ik op een folklorefestival een Vlaams echtpaar achter een tafeltje hun diensten aanbieden, namelijk als runendeskundigen. Met behulp van de 24 tekens van het Germaanse runenalfabet voorspelden zij je toekomst. Bovendien maakten zij amuletten om met runenkracht specifiek onheil af te wenden of gunstige energieën aan te trekken. Net als de antieke runenmeesters runen in zwaarden inkerfden om de zwaardvechter onoverwinnelijk te maken.

Het is weer eens wat anders in het orakelwereldje dan het Chinese Boek der Veranderingen met zijn 64 hexagrammen (stel van zes lijnen die ofwel vol/yang ofwel gebroken/yin zijn), of de Tarotkaarten. Deze laatste associeert men met waarzeggende Zigeunerinnen, maar ze dateren blijkbaar uit het 13de-eeuwse Noord-Italië, en de 22 “grote arcana” (trionfi, vanwaar “troeven”) van de Tarot zijn kennelijk gevormd naar de 22 letters van het Hebreeuws alfabet. De symbolische lezing van het Hebreeuwse alfabet in de Kabbala is alleszins de nauwkeurigste analogie voor de runenduiding. Jahweh, Wodan, zelfde strijd!

Sommigen voelen zich misschien geroepen om deze duistere kunst nieuw leven in te blazen. Kan gebeuren. Een Nederlandse runenwerpster kreeg in een droom de opdracht om de runengod Wodan opnieuw te gaan vereren, ten teken waarvan ze diens logo tussen haar borsten liet tatoeëren: de “gevallenenknoop” of val-knut (vgl. val-kure en val-halla), drie ineengevlochten driehoeken. Drie maal drie is negen, en negen is inderdaad het getal van Wodan, die de runenwijsheid verkreeg door negen dagen ondersteboven opgehangen te blijven aan de levensboom Yggdrasil, de ruggengraat van de negen werelden van de Germaanse kosmos. Een andere besefte haar roeping plots toen het haar opviel dat ze geboren was op woensdag 9 november: Wodans-dag, de negende dag van de negende (novem) Romeinse maand! Onmiskenbaar een teken van goddelijke voorbestemdheid, al zijn ruim 2 miljoen nu levende mensen op een woensdag 9 november geboren.

Over de schemerlezing van de runen is er nu het boekje Runen in de Noordse traditie van Vincent Ongkowidjojo (°1979) bij de New-Age-uitgeverij Ankh-Hermes. Het is minstens al vermeldenswaard omwille van zijn ongewone auteur. Langs vaderskant stamt hij uit de Chinese minderheid in Indonesië. Toen de regering van het gedekoloniseerde land iedereen verplichtte om een echt Indonesische naam te voeren, voegde de familie Ong (Mandarijns Wang, “koning”) het element “widjojo” aan haar naam toe, uit Sanskrit vijaya, “zege”. Met zijn exotisch fenotype is hij een levende weerlegging van de grijsgedraaide pogingen om runen en andere Germaanse folklore aan romantisch Noords nationalisme of zelfs racisme te koppelen. Zijn wortels liggen in het daoïsme (dat wel wat met het Germaanse heidendom gemeen heeft, ondermeer het geloof dat de mens meerdere zielen heeft) en hij geeft ook les in Chinees schaduwboksen ofte taijiquan, nog wel in het Multikultureel Centrum Paul De Maeseneer te Herent. Niks geen Vlaams-nationale heikneuter dus. Hij is bovendien afgestudeerd aan het onvolprezen KUL-departement Oosterse Filologie en Geschiedenis, afdeling Oude Nabije Oosten (Sumerisch, Akkadisch, Hebreeuws, Egyptisch) en benadert de Oud-Noorse runenbronnen met de juiste wetenschappelijke methoden.

Maar dat belet hem niet om ook de runenmagie te exploreren (zie www.alhaz.be), met behulp van runen die hij in zelfgesneden houtjes gekerfd heeft. Christenen wezen gewaarschuwd voor de vreemde goden die deze Chinese keuze-Germaan aanbidt: “Het geloof in de goden wordt in onze maatschappij nog steeds met wantrouwen bezien, maar de mens is op het vlak van bewustzijn reeds zo ver geëvolueerd dat ik erop vertrouw dat het bestaan van de goden binnen enkele generaties algemeen aanvaard zal worden.” (p.8)

Antieke orakelsystemen waren erop gericht, de wil van de goden te vernemen, in de eerste plaats welke offers zij verlangden: een bedevaart, een koe, de eerstgeborene? Niet zozeer op hedendaagse hartsvragen over relaatsies of zelfontplooiing, dus. Dat de runen überhaupt voor waarzeggerij gebruikt werden, is slechts dunnetjes in documenten betuigd. We weten dat de Germanen loten wierpen maar niet of ingekerfde runen daarin over de betekenis van de worp beslisten, en nog minder zeker of elke rune daarbij de betekenis had die moderne runenmeesters uit hun woordwaarde afleiden. Maar orakelsystemen zijn iets persoonlijks, destijds evengoed als vandaag, het gaat er vooral om dat de beoefenaar er een voor hemzelf overtuigend model van de rijke variatie aan mogelijke levenssituaties in kan herkennen.

Eens je de runen (“geheimen”) verinwendigd hebt, ondermeer door ze als mantra’s te zingen, kan je ze naar ervaring van de auteur ook gebruiken als talisman om weldadige energieën te kanaliseren. Goochel met runen voor een betere wereld.

 

 

Johan Nowé: De Vikingen achterna, Davidsfonds, Leuven 2009, ISBN 978-90-5826-591-3.

Vincent Ongkowidjojo: Runen in de Noordse traditie, Ankh-Hermes, Deventer 2008, ISBN 978-90-202-0201-4.

 

(juli 2009)

 
Copyright © 2020 Koenraad Elst. All Rights Reserved.
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.