De Islam voor Ongelovigen -- 0. Voorwoord PDF Print E-mail
Written by Koenraad Elst   
Tuesday, 03 March 2015 10:34

Voorwoord

“Zo las ik een paar dagen nadat de Japanse vertaler van De Duivels­ verzen was vermoord (...) dit uittreksel uit de Koran : ‘Als de heilige maanden voorbij zijn, dood dan de ongelovigen waar ge ze maar vinden kunt, grijp ze, breng ze in het nauw en lok ze overal in hinderlaag’. [9:5] Er staan ons nog schone dagen te wachten als dit naar de letter wordt genomen.”

Op 9.8.1991 stond deze profetie in De Morgen. En inderdaad : sindsdien zijn er vele tientallen vrijdenkers in de islamwereld samen met talloze wetsdienaars en leden van minderheden wegens “belediging van de islam” vermoord en zijn er nog een aantal door rechtbanken veroordeeld tot de dood, tot celstraffen, tot publikatieverbod of zelfs tot echtscheiding van hun niet-afvallige echtgenote. Ook in Europa zijn de “schone dagen” aangebroken : wie de islamkritiek van de Turkse of Egyptische martelaars voor de geestelijke vrijheid hier herhaalt, moet rekenen op ostracisme, laster en andere “hinderlagen”. Maar dat is geen reden om het te laten.

Dit boekje is gebaseerd op artikels over de islam die ik in de Vlaamse pers gepubliceerd heb in de periode 1989-94. Het leek mij in die tijd belangrijk, de bevolking en vooral de bestuursklasse te waarschuwen tegen de zeer reële kans op een verdere islamitische greep naar de macht in sommige delen van de wereld, ondermeer in West-Europa. Ik was mijn eerdere sympathie voor de islam kwijtgeraakt door een rationele studie van zijn grondslagen, maar vooral door kontakt met de slachtoffers van de islam (zoals kontakt met slachtoffers van het kommunisme mij eerder van een andere illusie afhielp). Zo was ik in Delhi toen daar begin 1990 vele van de 250.000 hindoe-vluchtelingen toe­ kwamen, die door de moslims uit Kasjmir verjaagd waren. Deze etnische zuivering is in de wereldpers doodgezwegen, en dat heeft mij de behoefte doen beseffen aan verslaggeving over de islam die zich nu eens niet met het moslimstandpunt vereenzelvigt.

Van meet af aan heb ik het probleem dat niet-moslims met moslims blijken te hebben, gedefinieerd als een ideologisch probleem : moslims zijn mensen met dezelfde mogelijkheden als wij, maar die tot vijandigheid jegens ons gekonditioneerd zijn door de ideologie die Mohammed in 610-632 n.Chr. vastgelegd heeft in de Koran. Er is hoogstens een plaatselijk, tijdelijk en aksidenteel verband met zaken als immigratie en verschil in huidskleur. In Arabië werd de islam niet gebracht door een immigrant die door zijn huidskleur opviel, maar door een stam- en landgenoot. Evengoed was het een onverdraagzame en destruktieve religie, die er het pluralisme vernietigde en een stalinistische uniformiteit oplegde aan wat een bij uitstek “multikulturele” samenleving geweest was.

De islam stelt daarom een probleem dat radikaal verschilt van de wrijvingen die al eens kunnen optreden bij de inplanting van uitheemse groepen mensen in een bestaande samenleving. Ik wil niet ontkennen dat “tolerantiedrempels” en “ontworteling” zich evenzeer kunnen voordoen bij andere groepen immigranten dan de moslims; maar ik ben ervan overtuigd (en zie de bewijzen dagelijks in de etnische milieus waarin ik verkeer) dat andere gemeenschappen zich wel degelijk willen en kunnen integreren, en dat in hun geval zelfs het behoud van een lichte dosis exotisch erfgoed geen enkele hindernis voor integratie vormt. Bij hen is integratie slechts een kwestie van tijd, bij zeer vele moslims stellen we met het voortschrijdend tijdsverloop integendeel een versterking van de “wij tegen hen”-ingesteldheid vast.

In één van zijn eerste interviews als Vlaams-Blokvoorzitter verklaarde Frank van Hecke dat het hem in precies dezelfde mate zou storen als het geen moslims maar boeddhisten betrof. Vanuit de vergelijkende godsdienstwetenschap moet ik die achteloze gelijkstelling van moslims met b.v. boeddhisten beslist tegenspreken. Het boeddhisme (net zoals hindoeïsme, taoïsme) heeft geen gedetailleerde politieke doktrine die krachtens religieuze voorschriften als normatief geldt, de islam heeft die wel. Maar tot daar toe, het is geen zonde, een politieke doktrine te hebben; wèl problematisch is dat deze doktrine intrinsiek vijandig staat tegenover al degenen die het geloof niet delen. De islam legt aan de moslimgemeenschap de strijd tegen de ongelovigen op als religieuze plicht.

De mate waarin de islam zijn vijandschap jegens ongelovigen en zijn aanspraken op de politieke macht ernstig neemt, is ruwweg evenredig met de betrekkelijke sterkte van de moslimgemeenschap in een gegeven regio. Moslims die in de minderheid zijn, hebben de mond vol van “multikulturalisme”, “verdraagzaamheid”, de “rechten van de minderheden”. Het ware gelaat van de islam krijgt men echter pas te zien zodra de moslimgemeenschap in de meerderheid is. Er bestaat geen enkele land met een moslimmeerderheid waar volledige gelijkheid der burgers ongeacht hun religie heerst.

Bij ons heeft de islam zulke macht nog niet, maar hij beschikt wel over een huurlingenvoorhoede die alvast de repressie tegen islamkritiek organizeert. Voorbeelden krijgt u in hoofdstuk 5, maar hier kan ik alvast vermelden dat ik er zelf ook wat ervaring mee heb. Voor mij als gediplomeerd sinoloog en indo-iranist en praktizerend multikulturalist was mijn broodje in dit multikul-tijdsklimaat eigenlijk gebakken; maar de dag dat ik het op mij nam om de bedreigde kulturele verscheidenheid in sommige delen van de wereld te verdedigen, niet tegen het wegdeemsterende eurocentrisme maar tegen de opmarsjerende islam, gooide ik mijn eigen ruiten in. Mijn publikaties over de islam zijn mij komen te staan op boycots, een lasterkampanje, en regelrechte broodroof.

Er wordt door moslims en hun pleitbezorgers volop geklaagd over een vermeende hetze tegen de islam. Zo beweerde de Nederlandse indoloog Peter van de Veer onlangs dat in termen van maatschappelijke aanvaarding, “pro-moslim zijn bijna even erg is als antisemiet zijn”. (1) Dat is natuurlijk klinkklare onzin. Van der Veer is hoogleraar, wordt gevraagd als gastprofessor in Princeton, en krijgt zijn boeken bij de meest prestigieuze uitgevers gepubliceerd; dat zou hem niet lukken als de boodschap van die boeken antisemitisch was. En ik kan eraan toevoegen : het zou hem evenmin lukken als zijn boodschap islamkritisch was.

Het beste voorbeeld is het geval Lucas Catherine. In zijn EPO-boek De zonen van Godfried van Bouillon, over “de zionistische lobby in België”, overschrijdt hij meermalen de grens tussen antizionisme en antisemitisme; de Nederlandse historikus van het antisemitisme, Philo Bregstein, noemt hem ronduit antisemiet. Toch heeft dit hem nooit enig probleem opgeleverd, en wel omdat zijn kritiek op de zionisten niet vanuit katholiek of nationalistisch maar vanuit pro-islamitisch standpunt geformuleerd is. Voor zijn diverse pro-islamitische publikaties heeft hij in de establishment-media nooit iets anders dan lof gekregen.

Besprekingen van de islam waarvan men vermoedt dat ze kritisch zijn, komen daarentegen nog maar zelden de eerste selektieronde door. Zo weigerde de UFSIA in 1993 in extremis haar eerder toegezegde lokalen voor een lezingenreeks over de islam, getiteld “De islam zonder sluier”, en deelde ze aan de organizatoren (het katholieke Vormings­instituut Wies Moens dat anders nog steeds in de katholieke UFSIA welkom is) mee dat dit geschiedde “onder interne en externe druk”. Deze situatie is op slechts enkele jaren tijds gegroeid; bepaalde artikels die ik in 1989-91 als vrije tribune in Vlaamse kranten publiceerde, zouden daar (zoals ik weet door andere artikels van gelijkaardige strekking voor te stellen) vandaag geen enkele kans meer maken.

Er zijn ook andere vormen van onverdraagzaamheid aan het werk, van belachelijk tot gevaarlijk. In de UIA gelastte een vereniging haar eigen aktiviteit af uit protest tegen het islam-debat in de zaal ernaast, nochtans een echt pluralistisch debat met twee islam-zegslieden, islamkritici uit het VB en de VLD, en mijzelf. In Vilvoorde waren moslim-relschoppers opgetrommeld, en kon mijn lezing slechts doorgaan mits ­ politietussenkomst. Zulke dingen zijn wat zorgwekkend, maar veel erger is dat de hoofdstroom van onze samenleving zich ertoe laat dwingen, aan deze onverdraagzaamheid mee te doen.

Talloze keren ben ik als spreker “gedisinviteerd”. Dat gaat zo : de vereniging of school wijst iemand aan om een programma voor het volgende jaar samen te stellen, die kontakteert mij, maar wanneer hij of zij dan het voorlopig programma aan het bestuur voorlegt, zit daar wel iemand die mijn naam kent en weet dat ik op de zwarte lijst van de multikulturele staatsideologie sta. Eén zo’n tegenstem is doorgaans voldoende om de hele groep brave burgers de daver op het lijf te jagen, en dus word ik afgebeld, meestal zonder opgave van reden, en ook volkomen ongeacht het (vaak neutrale, geenszins de islam betreffende) onderwerp. Via dezelfde kontakten die eerst mijn naam voor de sprekerslijst hadden voorgesteld, kom ik dan meestal toch wel de ware toedracht te weten. Hier hebben we meteen een objektief kriterium om te testen in welke mate een opinie het mikpunt van een hetze is : professor Van der Veer mag mij eens vertellen hoe vaak hij al gedisinviteerd is wegens zijn pro-islamitische standpunten.

Soms kan men door omstandigheden niet anders dan het verhaal van het besluit tot disinvitatie doen. Zo deelde de Antwerpse Volks­hogeschool mij heel recent mede dat twee afgesproken lezingen over religie in India niet konden doorgaan omdat de stuurgroep op aangeven van Mon Detrez en Frans Boenders zijn veto daartegen stelde. Van Mon Detrez verbaasde mij dat niet : iemand die regelmatig de lof van het Ottomaanse rijk op de Balkan zingt, heeft er alle belang bij om de feiten betreffende de islam buiten beeld te houden, en het is maar te verwachten dat zulke mensen hun invloed gebruiken om overtreders van het taboe op islamkritiek te treffen.

Van Frans Boenders verraste deze Berufsverbot-interventie mij wel een beetje. Ik herinner me van hem een wederwoord (in het ter ziele gegane linkse weekblad Toestanden, dat de “debatkultuur in Vlaanderen” wou bevorderen, en waarin ikzelf mijn allereerste stuk over de islam publiceerde, n.l. over de toen kersverse Rushdie-zaak) op een artikel van Frans Verleyen waarin deze een amalgaam gemaakt had van Ajatollah Chomeini en de Dalai Lama, allebei immers “theokraten”. Boenders wees terecht op het intrinsiek irrationele en onverdraagzame karakter van de islam, en kontrasteerde dit met het vrije onderzoek als basis van het boeddhisme. Blijkbaar behoudt de media-elite zichzelf het recht voor om haar gedacht te zeggen, en wil zij dat recht niet met gewone stervelingen delen. In ieder geval : dat zelfs een brave man als Frans Boenders aan deze heksenjacht (links zou het “McCarthyisme” noemen) meedoet, is veelzeggend voor de veralgemening van het taboe op islamkritiek.

De zegsvrouw van de Antwerpse Volkshogeschool checkte ook of ik niet “van het Vlaams Blok” was. Nee, zei ik, ik ben lid van een andere partij, dat moet een kwakkel zijn. Jamaar, ze had daar een artikel vóór zich liggen (er houdt blijkbaar iemand een dossier over mij bij) waarin ik beweerde dat de enige oplossing voor het samenlevingsprobleem met moslims bestaat in hun volledige assimilatie. Nou, zei ik, dat is toch het diametraal tegendeel van het VB-standpunt ? Maar toch was het niet aanvaardbaar, zei ze, “want wij zijn voor het pluralisme”. Natuurlijk, ik ben ook voor het pluralisme, en daarom juist bekritizeer ik de vijanden van het pluralisme; tot voor kort was dat vooral het kommunisme, vandaag is dat vooral de islam. Multikulturalisten trachten andersdenkenden wel eens de mond te snoeren met redeneringen als : “Geen demokratische rechten voor de vijanden van de ­ demokratie”. Ik noteer echter dat zij die niet toepassen op de ­ belangrijkste dreiging voor de pluralistische demokratie, wel op degenen die over die dreiging rapporteren.

Linkse “extreem-rechts”-deskundigen beschuldigen partijen als het Vlaams Blok wel eens van “biologizering van de kultuurverschillen” : enerzijds zeggen dat het hun niet meer om ras- maar om kultuurverschillen te doen is, anderzijds de kultuur van immigranten als een onwrikbaar en onvervreemdbaar gegeven behandelen, even inherent als iemands ras. De multikulturalisten maken zich echter aan precies dezelfde biologizering schuldig. Met beroep op het “pluralisme” doen zij alsof Marokkanen nu eenmaal moslim zijn, en wij dat dus maar moeten aksepteren. Welnu, er is niets intrinsiek islamitisch aan Marokkanen, de islam is hun destijds met geweld of minstens met sociale druk opgelegd, en er is geen enkele reden om hen daarin vast te houden.

Ik ga niemand op de pijnbank leggen wegens zijn geloof in een platte aarde, maar daarom ga ik dat geloof nog niet aksepteren, in de zin van : onderwijs in dat geloof subsidiëren, verbroederingen tussen plat-aardlingen en anderen organizeren om het wederzijds begrip te bevorderen, en al die andere islamvriendelijke spelletjes waar het multikul-establishment belastinggeld tegenaan gooit.

De islam is een schadelijk bijgeloof dat we zijn gevangenen, de moslims, vriendelijk doch beslist uit het hoofd moeten praten. Kijk, als je kind van tien of vijftien of twintig jaar door een bizarre indoktrinatie nog steeds in Sinterklaas blijkt te geloven, zou je het dan niet als een dringende plicht beschouwen, het eens over de ware toedracht te informeren ? Ik herinner mij nog goed hoe ik verontwaardigd was toen mijn zus mij op mijn zes jaar de ware toedracht over Sinterklaas vertelde, en ik verwacht dezelfde verontwaardiging bij moslims die b.v. in de Mohammed-studie van dr. Somers de ware toedracht over de Koran-”openbaring” vernemen. Hoe dan ook, we moeten allemaal op zekere dag de sprookjeswereld ontgroeien en de werkelijkheid onder ogen zien, dus het getuigt van weinig naastenliefde om medemensen in zulke achterhaalde waan te laten. Het speelgoed in de laars bij de schoorsteen is daar nu eenmaal niet door Sinterklaas gelegd, en de woorden van de Koran zijn nu eenmaal niet door de aartsengel Gabriël ingefluisterd.

Het is volstrekt zeker dat de islam zal verdwijnen, en ik maak me sterk dat de kruciale wending in die evolutie slechts enkele decennia van ons verwijderd is. Wij moeten aan dit proces meewerken door na te denken over een integraal alternatief voor zowel de in wezen achterhaalde geloofssystemen als de geestelijke verwarring die de moderne wereld tekent. Maar in afwachting van deze kulturele evolutie moeten onze beleidvoerders goed beseffen dat de islam vooralsnog een te duchten uitdager is. Zij moeten ophouden met hun politiek van zelfbedrog en leugentjes om bestwil : de wereld is een te onveilige plaats om zonder degelijke terreinkennis door te komen.

Toch gaat het er in de hedendaagse islamkritiek niet (meer) om, niet-moslims voor de moslims te waarschuwen. Nu er steeds meer geboren en getogen moslims zelf de mentale ketenen van hun geloof afwerpen en op gevaar van hun leven hun steentje bijdragen tot het doorprikken van Mohammeds dogma’s, moet het doel niets minder zijn dan de emancipatie van alle moslims uit de waan van de Profeet (vrede zij met hem).

Leuven, 15 januari 1997 (Europees Jaar tegen Racisme)

 
Copyright © 2022 Koenraad Elst. All Rights Reserved.
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.