Het proces-Milosevic PDF Print E-mail
Written by Koenraad Elst   
Thursday, 16 October 2014 09:45

 

 

Het showproces-Milosevic (1)

De Leuvense universiteit neemt wel eens het risico van kritiek met haar selectie van doctores honoris causa, bijvoorbeeld met de keuze van prins Filip van België. Nochtans maakt zij met minder bekritiseerde eredoctores wel ernstiger uitschuivers dan die met de prins. Een van zijn medelaureaten vorig jaar was immers Carla Del Ponte, openbaar aanklager in een showproces tegen vermeende Joegoslavische oorlogsmisdadigers, meest opvallend tegen de Joegoslavische ex-president Slobodan Milosevic. Deze socialistische politicus is niet onze beste vriend, maar dat wettigt Del Ponte’s aanfluiting van de rechtsbeginselen in Den Haag nog niet.

Het tribunaal is het eerste internationaal lichaam voor de vervolging van oorlogsmisdaden sinds de processen van Neurenberg en Tokyo in 1946. Het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY) werd opgericht door resolutie 827 van de VN-Veiligheidsraad in mei 1993 en alle VN-leden zijn verplicht eraan hun medewerking te verlenen. Het is bevoegd om individuen te vervolgen voor oorlogsmisdaden gepleegd in het voormalige Joegoslavië sinds 1991, met name: ernstige inbreuken op de conventie van Genève van 1949; overtreding van het oorlogsrecht; genocide; misdaden tegen de menselijkheid. Het tribunaal mag geen verdachten in absentia berechten, noch de doodstraf uitspreken; de maximumstraf is levenslange opsluiting. Het tribunaal streeft ernaar, meer de eindverantwoordelijken dan de ondergeschikten die op het terrein het vuile werk opgeknapt hebben, te vervolgen. Eén vonnis dat wellicht grote gevolgen zal hebben, is de formele beoordeling van het gebruik van verkrachting als een oorlogsmisdaad. Eerder Kafkaiaans is dan weer dat beschuldigingen openlijk of onder zegel kunnen zijn, dat verdachten opgepakt kunnen worden op basis van geheimgehouden beschuldigingen, en dat de identiteit van getuigen voor de beklaagden geheim gehouden mag worden.

Hoofdaanklager Carla Del Ponte, een Zwitserse advocate en reeds de derde in de rij na Louise Arbor (Canada) en Richard Goldstone (Zuid-Afrika), verzamelt samen met haar team het bewijsmateriaal om aanklachten te formuleren en vervolging in te stellen. Het tribunaal werkt onder volgend motto: “Niemand staat boven de wet of buiten het bereik van de internationale gerechtigheid. De internationale gemeenschap demonstreert zijn vastbeslotenheid dat de slachtoffers niet vergeten zullen worden en dat hun verhaal verteld zal worden.” Het tribunaal heeft grote onderzoeksteams ter plaatse maar is voor arrestaties aangewezen op de medewerking van de politie van de Joegoslavische opvolgerstaten of van de internationale “vredestroepen” S-For en K-For in Bosnië resp. Kosovo. Het tribunaal stelt meer dan duizend mensen te werk en zijn jaarlijkse budgetten belopen rond de 100 miljoen dollar.

Valse voorwendsels

Het schertsproces in Den Haag is overduidelijk een geval van overwinnaarsrechtspraak. Tegen de wens van de Serviërs in, weigert het tribunaal om oud-VS-president Bill Clinton, oud-VS-minister Madeleine Albright en andere NAVO-verantwoordelijken te dagvaarden, hoewel de NAVO-interventies in Bosnië 1995 en Servië/Kosovo 1999 onmiskenbaar overtredingen vormden op een aantal internationale rechtsbeginselen en duizenden burgerslachtoffers gemaakt hebben. Overigens wordt een bombardement zelfs niet gerechtvaardigd door het eventuele feit dat slachtoffers militairen zijn: het ging nog steeds om naakte agressie. Men zal zich herinneren dat de interventie van 1999 juridisch verantwoord werd vanuit de weigering van rest-Joegoslavië om de akkoorden van Rambouillet te ondertekenen. Uiteraard heeft een soevereine staat het recht om een verdrag wel of niet te ondertekenen, en bovendien hielden deze akkoorden ondermeer in dat de NAVO het onbeperkte recht kreeg om troepen op Joegoslavisch grondgebied te laten opereren,-- iets dat geen enkele soevereine staat kan aanvaarden. Dit was de pure arrogantie van de macht, vergelijkbaar met Oostenrijks ultimatum aan Servië in 1914 of Hitlers ultimatum aan Polen in 1939.

Bovendien waren de concrete aanleidingen voor de interventies vals. De VS hebben een lang palmares van vervalste rechtvaardigingen om een oorlog te beginnen: de beweerde Spaanse aanval op het oorlogsschip Maine die de aanleiding werd voor de invasie van Cuba en de Filippijnen in 1898; het uitlokken van de Duitse beschieting van de Lusitania in 1915 door passagiersschepen voor wapentransport te gebruiken; het zogenaamde incident in de Golf van Tonkin in 1964; het verhaal van de gebajoneteerde couveusekinderen in Koeweit in 1990, dat een meerderheid van de VS-congresleden overhaalde om voor de aanval op Irak te stemmen; en de onvindbare massavernietigingswapens die de recente verovering van Irak moesten rechtvaardigen. Op dit laatste punt wil ik in principe de mogelijkheid openlaten dat men alsnog ergens in Oer-der-Chaldeeën toch een atoombom in zakformaat vindt. Van de aanleidingen voor de NAVO-interventies in Bosnië en Kosovo staat inmiddels echter als een paal boven water dat zij vals waren.

De Bosnische regering van de nuchtere islamist Alija Izetbegovic had de internationale krachtsverhoudingen zeer juist ingeschat, en met name het belang van public relations om de sentimentele Amerikaanse leidersklasse om te turnen. Hij huurde ondermeer de diensten in van Bernard-Henri Lévy (die er met zijn bestudeerd kapsel en décolleté eerder als een hoer dan als een filosoof uitziet) en van een New-Yorkse publiciteitsfirma. Zij, of hijzelf, hadden zeer goed begrepen dat je veel kan bereiken met verhalen over “wreedheden” die op de gevoelens inwerken. Kijk maar hoe het lot van Koeweit volledig gekeerd was door de verzonnen spelletjes van de Irakezen met de broeikaskinderen. De Servische zuipschuiten vertrouwden op hun brute kracht en verwaarloosden hun PR, en soms verschaften ze zelf het beste propagandamateriaal aan hun vijanden.

Op het militaire front was een Moslim-Bosnische PR-coup doorslaggevend, namelijk doordat ze de NAVO tot interventie bewoog. Er werd rond Sarajevo heel wat over en weer geschoten, zoveel is natuurlijk waar. De Serviërs gedroegen zich daarbij echter niet als redeloze barbaren. Zo waren zij bereid de strategische Igman-berg te ontruimen om deze volledig te demilitariseren; maar het resultaat was natuurlijk dat de moslims de berg innamen en hem zelf voor beschietingen gingen gebruiken. Bij al hun bruutheid gaven de Serviërs al eens cadeautjes; de moslims deden dat niet. In ieder geval kregen de Serviërs het odium van barbaarse beschieters van burgerdoelwitten in de belegerde stad Sarajevo. De cruciale incidenten, netjes gefilmd door heel toevallig aanwezige camera’s, waren de “beschieting van de broodrij” in de Vase Miskina-straat (16 doden, mei 1992); en de beschietingen van het Markale-marktplein (68 doden, februari 1994; en 38 doden, augustus 1995). Deze incidenten leidden respectievelijk tot het embargo tegen rest-Joegoslavië; tot de officiële afkondiging van NAVO-bemoeienissen in Bosnië; en tot de bombardementen op de Bosnische Serviërs gecoördineerd met een grondoffensief van het Kroatische leger.

Alleen, uit ballistische analyse en andere gegevens bleek spoedig dat deze moordende aanslagen niet het werk van de Servische belegeraars waren, maar van de Bosnische regering zelf. Misschien kan men haar niet kwalijk nemen dat ze in de oorlog zulke vuile trucs gebruikte. Het staat echter vast dat deze gevallen van gevolgrijk bedrog, onthuld door Westerse journalisten en bevestigd door Westerse officieren ter plaatse, aan de VS- en NAVO-overheden bekend waren. Als ze al niet mede door de CIA beraamd zijn. De NAVO-regeringen bedrogen hun parlement en bevolking en trokken ten oorlog op basis van valse informatie over vermeende Servische wreedheden. In Neurenberg zou men dat “misdaden tegen de vrede” genoemd hebben, en daarvoor had Bill Clinton best een paar jaartjes in een soort Spandau-gevangenis mogen brommen.

Srebrenica

Een andere geniale propaganda-coup betrof de inname van Srebrenica. Men neemt aan dat de Servische troepen van Ratko Mladic in Srebrenica tijdens hun machtsovername op 11 juli 1995 lelijk huis gehouden hebben onder de moslims. Dat vormde een voldoende beginpunt voor de vijandelijke propagandamachine om deze kern van waarheid geweldig aan te dikken. Men spreekt van achtduizend doden, maar alle opgravingen sindsdien hebben op verre na nooit dat aantal opgeleverd. Het getal “8000”, door de New York Times en vervolgens door iedereen voorgesteld als het aantal doden, is in feite de som van twee groepen mensen vermeld in het oorspronkelijke rapport van het Rode Kruis dd. 13 september 1995: 3000 “die volgens ooggetuigen door de Servische troepen gearresteerd zijn” en 5000 “die Srebrenica ontvlucht zijn en van wie een aantal reeds centraal Bosnië bereikt hebben”. De Londense Times meldde al op 2 augustus 1995 dat 3 à 4000 van de “vermiste” moslimmannen uit Srebrenica in veiligheid waren.

Met name waren in de regio Tuzla 2000 moslims aangekomen uit Srebrenica, die de Times omschreef als “Bosnische regeringssoldaten”. Veeleer dan “vluchtelingen” uit een door de Serviërs aangevallen Srebrenica, bleken zij gewoon een bevel tot strategische verplaatsing gehoorzaamd te hebben, en was het juist hun vertrek uit de enclave die de gemakkelijke Servische inname mogelijk maakte. Bij de daaropvolgende Servische inname van Zepa bleken honderden verdedigers van deze enclave tot de “vermiste” Srebrenica-moslims te behoren. De vluchtende moslimsoldaten lieten hun gewonde makkers achter, en de Serviërs lieten deze evacueren naar Sarajevo, waar sommigen getuigden dat zij nooit mishandeld waren door de Serviërs. Merk trouwens op dat de moslimstrijders moeiteloos hun gewonden, en in Srebrenica ook hun vrouwen en kinderen, achterlieten: geloofden zij dan zelf de verhalen over de bloeddorstige Serviërs niet? Doorgaans hielden de media buiten beeld dat de moslims in Srebrenica helemaal niet zo’n hulpeloze en opgejaagde en op VN-bescherming aangewezen minderheid waren: net als in de “veilige zone” Gorazde waren zij actieve strijders die Srebrenica als uitvalsbasis gebruikten voor regelmatige aanvallen op de Servische posities in de buurt. Bosnisch-Servisch president Radovan Karadzic telde gedurende de voorafgaande maanden 1260 Servische doden in de regio als gevolg van Moslim-acties vanuit Srebrenica.

Zelfs de 3000 gearresteerden zijn waarschijnlijk niet allemaal vermoord. Zo meldde de Guardian op 17 januari 1996 de aankomst in Dublin van 24 Moslim-Bosnische krijgsgevangenen die vanuit Srebrenica naar het gevangenenkamp Sljivovica in Servië overgebracht waren en daar gedurende enkele maanden vastgehouden. Nicholas Burns van het State Department verklaarde dat 800 Srebrenica-gevangenen in kampen in Servië vastgehouden waren, en dat de VS er 214 als vluchteling asiel zou geven. Onbloedig zal de inname van Srebrenica niet geweest zijn, maar de achtduizend lijken bleken net als de Iraakse massavernietigingswapens hardnekkig onvindbaar. Zelfs van de 460 lijken die in 1996 nabij Srebrenica opgegraven zijn, is niet volstrekt zeker dat zij de slachtoffers van “de” massamoord zijn. Uiteraard probeerde VS-buitenlandminister Madeleine Albright het gebrek aan bewijzen te verklaren, vooral dan met flutverhaaltjes over Servische pogingen om de lijken met chemicaliën te doen verdwijnen. Zoiets als die klungelmoordenaars die aan de galg eindigden omdat ze geloofden dat je met ongebluste kalk een lijk kan oplossen. Toch merkwaardig hoe die met embargo’s gewurgde Serviërs nog de technologische snufjes hadden om de alziende Amerikaanse inspecteurs en satellieten te misleiden.

Het beeld van een “genocide” op een zielige moslimgemeenschap had echter onverwoestbaar post gevat in de internationale perceptie, en het had vooral gevolgen op het diplomatieke front. Doordat de Bosnisch-Servische leiders Mladic en Radovan Karadzic als genocidaire misdadigers te kijk stonden, waren zij onaanvaardbaar als zegslieden van hun gemeenschap op de vredesbesprekingen van Dayton. In de plaats daarvan werden de Bosnische Serviërs er vertegenwoordigd door Slobodan Milosevic, hoofd van een staat die volgens alle niet-Servische deelnemers een vreemde staat was, disjunct van de nieuwe staat Bosnië. Men moet de absurditeit van deze situatie tot zich laten doordringen: volgens de Amerikanen hadden de Bosnisch-Serviërs niets meer met rest-Joegoslavië te maken, maar toch moesten zij hun belangen tijdens een intra-Bosnische vredesregeling door het staatshoofd van die vreemde staat laten behartigen. Milosevic was toen voor de VS “onze schurk in ex-Joegoslavië” (volgens het principe van VS-steun aan Latijns-Amerikaanse dictators: “OK, hij is een schurk, maar hij is ónze schurk”). Hij was erg plooibaar want zelf in nauwe schoentjes: hij had in Dayton dus dringender belangen te behartigen dan die van zijn volksgenoten in de aan hen met geweld opgelegde nieuwe staat Bosnië.

Terzijde, in een situatie van machteloosheid krijgen masochistische neigingen vrij spel. Zo hebben we de zielige zelfbeschuldiging gezien van Bosnisch-Servische presidente Biljana Plavsic, ooit de waardige verdedigster van de Servische volksbelangen tegen de vileine pogingen van Albright om in naam van “de geest van Dayton” steeds verdere, niet in de letter van het verdrag voorziene concessies af te dwingen (“wij geloven niet in geesten”, antwoordde Plavsic). Zij is zichzelf in een opstoot van psycho-vertwijfeling bij het tribunaal van Den Haag gaan aangeven, waar men haar graag een milde behandeling beloofde in ruil voor bezwarende getuigenissen tegen andere kopstukken.

De Srebrenica-crisis veroorzaakte zulk een opstoot van masochisme ver buiten de Joegoslavische grenzen, vlak in de schaduw van het Haagse tribunaal, namelijk in de Nederlandse regering, wier troepen de veiligheid van de moslims in de enclave hadden moeten garanderen. Nog in de lente van 2002 is de Nederlandse regering Kok II “moeten” aftreden over de verwerking van de kwestie-Srebrenica. In november 1995, toen aanklager Goldstone de VS-regering om het beloofde bewijsmateriaal voor de massamoord smeekte en de tot dan toe geleverde bewijzen “teleurstellend” noemde, weigerde Nederland om hieruit logisch af te leiden dat de misdaad en dus de Nederlandse medeschuld minder groot bleken dan gevreesd. Terwijl de spoorloosheid van de lijken de Nederlanders in die zin had kunnen bemoedigen, insisteerde defensieminister Joris Voorhove op gezag van “inlichtingendiensten” dat de Serviërs het bewijsmateriaal van hun massamoord hadden doen verdwijnen. Overigens waren er toen al verse NAVO-troepen in het gebied, die elke gewenste indruk van gefoefel met de bewijzen hadden kunnen vaststellen – of zelf bewerken.

Desintegratie

Wie de debatten van Den Haag nader bestudeert, merkt dat het oordeel over schuld en onschuld in de Joegoslavische oorlogen helemaal afhangt van een juist begrip van de staatkundige basisfeiten. Aangaande Bosnië stellen de NAVO-partijgangers het zo voor dat een Servisch “bezettingsleger” zich wederrechtelijk ophield op het grondgebied van de “soevereine staat Bosnië”. Iedereen weet nochtans dat het even anders in elkaar zat. De provincie Bosnië verklaarde zich, met steun uit het Westen, onafhankelijk na een referendum dat door het Servische bevolkingsdeel geboycot werd. Door dit laatste feit was de uitslag wettig ongeldig: over fundamentele grondwetswijzigingen (dus bij uitstek over een onafhankelijkheidsverklaring) moest er een meerderheid zijn in elk van de etnische groepen. De VN-lidstaat Joegoslavië zat toen met een situatie zoals Spanje in Baskenland, Indonesië in Aceh, India in Kasjmir, enz. De wereldgemeenschap erkent het recht van deze staten om gewapende afscheidingsbewegingen te onderdrukken. Belgrado had alle recht om zijn leger in Bosnië te handhaven. Het zwakke Joegoslavië liet zich echter onder druk zetten om zijn leger uit Bosnië terug te trekken (met discrete overdracht van wapens aan nieuw opgerichte antiseparatistische Servische milities) en de afscheiding te erkennen. Volgens mij had een principiële weigering om aan de internationale druk toe te geven, een beter resultaat opgeleverd dan deze vergeefse poging om de trouweloze “internationale gemeenschap” met een fundamentele toegeving gunstig te stemmen.

Hoe dan ook, het gedrag van de regeringen van Joegoslavië en van de deelrepubliek Servië in die periode 1990-92 kan men allerminst als factor van oorlog beschouwen, zoals het ICTY in zijn rekwisitoor tegen Milosevic wel doet. Laat eerst en vooral duidelijk zijn dat de macht toen niet hoofdzakelijk bij de Serviërs, laat staan bij Milosevic berustte, dit in weerwil van de ICTY-bewering dat hij “de facto controle over de federale regering uitoefende”. De sleutelposities in het collectieve leiderschap van het nog unitaire Joegoslavië, tijdens zijn pogingen om de beginnende separatismen te bedwingen, waren tot eind 1991 in handen van loyale Kroaten als regeringsleider Ante Markovic en buitenlandminister Budimir Loncar. Maar uiteraard verzwakte de positie van de niet-Servische etnieën toen zij zich opsplitsten in een federalistische en een separatistische fractie, terwijl de Serviërs geen eigen separatistische optie hadden. Rest-Joegoslavië werd door toedoen van de niet-Serviërs meer en meer synoniem met de Servische gebieden, of wat vijandige media hatelijk “groot-Servië” noemden.

Het rekwisitoor spreekt consistent in abstracte en onpersoonlijke termen over gebeurtenissen die de Joegoslavische federatie, de Servische deelstaat of het Servische volk benadeeld hebben. Zo heet het dat de federatie in 1991 “desintegreerde” (geen verantwoordelijkheid voor separatisten noch voor hun supporters in Bonn en Washington) of dat de onafhankelijkheidsverklaring van Slovenië op 25 juni 1991 “tot het uitbreken van oorlog leidde”. Die verklaring was onwettig onder de Joegoslavische grondwet, en het Joegoslavische leger werd ingezet om de door Sloveense milities ingenomen douaneposten aan de grenzen weer in handen te nemen. Dit werd hun manu militari verhinderd door Sloveense milities, en dat is hoe mensenhanden de Joegoslavische oorlog begonnen.

Na de geslaagde afscheiding van Slovenië en Kroatië, door Belgrado erkend in januari 1992, zag iedereen de veel dramatischer crisis in het etnisch veel gemengdere Bosnië aankomen. Het Joegoslavische leiderschap was bereid tot een regeling van het minste kwaad, namelijk een opdeling van Bosnië in etnische kantons, zoals uitgewerkt op de conferentie van Lissabon op 19 maart 1992. Vertegenwoordigers van de Bosnische Kroaten, Moslims en Serviërs ondertekenden het plan. Degene die de uitvoering van dit vredesplan van de laatste kans dwarsboomde, draagt een enorme verantwoordelijkheid, en had zeker verdiend om in Den Haag gedagvaard te worden. Zijn naam was echter niet Slobodan Milosevic, wel Warren Zimmerman, VS-ambassadeur in Joegoslavië, die Moslimleider Alija Izetbegovic van Amerikaanse steun aan een ongedeeld Moslim-gedomineerd Bosnië verzekerde als hij zijn goedkeuring zou intrekken. Achteraf gaf Zimmerman in zijn boek Origins of a Catastrophe toe dat “het plan van Lissabon nog zo slecht niet was” en dat hij “ongelijk bleek gehad te hebben”.

Maar de bal was aan het rollen: op 14 april gaf Izetbegovic bevel aan zijn “groene baretten”-militie om de posities van het Joegoslavische leger aan te vallen. Twee weken later eiste de “internationale gemeenschap” de terugtrekking van het Joegoslavische leger uit Bosnië. Tijdens de terugtrekking in mei 1992 verloor dat leger meer dan tweehonderd man bij hinderlagen, één ervan in Sarajevo in aanwezigheid van Izetbegovic en de VN-bevelhebber Louis McKenzie. Onderhandelaar Lord Peter Carrington verklaarde later (Intervju, Belgrado, 20 oktober 1995) dat Izetbegovic “in zekere zin onder druk gezet werd om de onafhankelijkheid uit te roepen”.

Een oorlog breekt niet zomaar uit. Er is een juridisch kader en belangentegenstellingen die binnen of buiten dat kader een oplossing zoeken. Trouw aan zijn eigen uitgangspunt dat eerder de eindverantwoordelijken dan de zware jongens op het terrein gestraft moeten worden, had het ICTY de politieke verantwoordelijken voor de desintegratie van Joegoslavië moeten dagvaarden. Dat waren niet alleen Joegoslavische politici als Izetbegovic maar ook een aantal Westerse leiders en diplomaten. Tienduizenden doden later gaf een intrigant als Zimmerman laconiek toe dat hij zich vergist had. Gaf dat hem recht op absolutie zonder penitentie?

 

 

(Nucleus, juni 2003)

 

 

 

Het showproces-Milosevic (2)

 

 

 

In het eerste deel van de beschouwing over het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag stelden we de grote partijdigheid van het tribunaal vast, samen met het feit dat de NAVO-interventies in Bosnië met valse gruwelpropaganda ten nadele van de Serviërs gerechtvaardigd werden. Ook de staatkundige grond van de zaak werd zowel in de media als in de NAVO-verklaringen en in het rekwisitoor van het tribunaal op zeer partijdige wijze verkeerd voorgesteld.

 

 

Ook de centrale politieke begrippen zijn systematisch verdraaid. Zo is “democraat” de nieuwe term voor “antinationalist”, hoewel de opeenvolgende verkiezingsuitslagen in Bosnië steeds weer uitwijzen dat de democratische volkswil de nationalisten verkiest: “Nationalistische politici zijn niet, zoals sommige theoretici van de heilige graal der civiele maatschappij willen doen geloven, het obstakel tegen democratisering in Bosnië; zij zijn er juist de uitdrukking van. (…) In 1997 kantten 91% van de Bosnische Serviërs en 84% van de Bosnische Kroaten zich tegen het idee van een ééngemaakte staat Bosnië, terwijl 98% van de Bosnische moslims het steunden.” (Mark Mazower: “When a modern war is won”, Times Literary Supplement, 14-2-2003)

 

 

Ik hoor onze linksliberale opiniemakers al komen: zie je wel dat moslims niet bekrompen zijn! Ze kiezen voor een multiculturele staat! Ze zijn veel minder bekrompen dan katholieken en orthodoxen! Ze zijn o zo niet-nationalistisch! In werkelijkheid weerspiegelen deze percentages éénzelfde drijfveer bij de drie bevolkingen: alle drie zijn zij “nationalistisch”, zoals Mazower vaststelt, want alle drie behartigen zij met deze keuze hun eigen etnisch belang. Voor de dominante groep, die uitzicht heeft op de demografische overmacht en op het geleidelijk wegpesten van de minderheden, is het best om Bosnië zo groot mogelijk te houden. Voor de bange minderheden daarentegen is een splitsing de beste garantie op een toekomst binnen Bosnië, zij het dan slechts binnen een deel ervan. Zo gezien zijn juist de Kroaten het minst nationalistisch of “bekrompen”: wel 16% van hen denkt niet eerst aan het eigen groepsbelang, tegen slechts 2% bij de Moslims.

 

 

 

Gruwelpropaganda

 

 

 

Inzake Kosovo waren de consequenties van de manipulaties van het staatkundig begrip over de problematiek nog opvallender. De media hadden het voortdurend over “Servië en Kosovo” en over de “Servische invasie/bezetting van Kosovo”, terwijl Kosovo een deel van Servië is; en over “Kosovaren” wanneer zij “Kosovaarse Albanezen” bedoelden. Politici en journalisten wedijverden in geschatte dodenaantallen: tienduizend, vijftigduizend enzovoort, want die Servische monsters wisten van geen ophouden en moesten dringend en met alle middelen gestopt worden.

 

 

Om precies te zijn, aldus Cees van Zweeden (“Oorlog tegen Servië met leugens verkocht”, Gazet van Antwerpen, 23-6-2003): “Tony Blair brandmerkte het beleid van Milosevic in Kosovo als ‘raciale genocide’. Hij sprak: ‘Duizenden Albanezen zijn vermoord, honderdduizenden anderen worden vermist.’ Een Amerikaans regeringsdocument maakt zelfs gewag van 400.000 slachtoffers. De feiten bleken een ietsje anders te liggen. Vier jaar na de oorlog staat de teller op minder dan drieduizend doden, een cijfer dat zowel de slachtoffers aan Servische zijde omvat als de Albanezen die tijdens de oorlog omkwamen. Het aantal vermisten wordt door de Verenigde Naties op geschat op 3500”, van wie velen ongetwijfeld in stilte geëmigreerd zijn naar buurlanden of naar het Westen.

 

 

Bovendien: “Tijdens de oorlog onthulden de Britten het bestaan van een kamp in Djakovica, waar Serviërs systematisch Albanese vrouwen verkrachtten. Na de oorlog bleek het kamp alleen in de verbeelding van Blair te hebben bestaan.” (idem) Maar wat gaf het nog, want de verhaaltjes hadden toen hun functie al vervuld: de NAVO-bombardementen op rest-Joegoslavië rechtvaardigen.

 

 

Openbaar aanklaagster Carla Del Ponte, die Milosevic van “genocide” beschuldigt, had alvast geen moeite met de tegenvallende slachtoffercijfers. Zoals George Szamuely meldt (“Numbers games”, American Conservative, 24-2-2003): “Na maanden en maanden van onophoudelijk graven, deelde Carla del Ponte mede dat de NAVO 2.108 lichamen had opgegraven. Heel wat minder dan de officiële schatting, zeker als je weet dat Del Ponte niet kon zeggen wiens lichamen dit waren, tot welke etnische groep zij behoorden, hoe zij stierven of wanneer zij stierven. ‘Genocide is geen getallenspelletje’, zo wuifde het tribunaal dit weg”.

 

 

Naast deze goedkope stemmingmakerij verzwegen de NAVO-regeringen ook de ware aanleiding voor de NAVO-aanval op Joegoslavië. Formeel was dit de weigering van Milosevic om het Rambouillet-akkoord te ondertekenen, hoewel deze zich eerst bereid getoond had om de Westerse eisen te aanvaarden: autonomie voor en vredestroepen gestationeerd in Kosovo. Maar: "Geconfronteerd met het perspectief dat de Serviërs het vredesplan gingen aanvaarden, werd te elfder ure besloten een nieuwe voorwaarde in dat plan op te nemen. Omdat de volledige tekst van het vredesplan geheim werd gehouden, was het destijds onduidelijk waarom de Serviërs er hun handtekening aan onthielden. Pas op 18 april 1999, toen de oorlog al in volle gang was, onthulde Le Monde Diplomatique de volledige tekst. Appendix B van hoofdstuk 7 van het document eiste ‘onbeperkte toegang’ voor NAVO-troepen in heel Joegoslavië. Anders gezegd: Milosevic moest instemmen met een bezetting van zijn land. De bepaling was door de Amerikanen en Britten toegevoegd met het expliciete doel aanvaarding van het document onmogelijk te maken.” (idem) Wat hebben wij een kort geheugen, dat velen van ons slechts vier jaar later geloof konden hechten aan de Brits-Amerikaanse verhaaltjes die de inval in Irak moesten rechtvaardigen.

 

 

Onhistorisch

 

Op 22 mei 1999, twee maanden na het begin van de NAVO-aanval op Joegoslavië, leidde Louise Arbour als aanklager in het ICTY een strafklacht in tegen de Joegoslavische leiders Slobodan Milosevic, Milan Milutinovic, Nikola Sainovic, Dragoljub Ojdanic en Vlajko Stojiljkovic: zij werden beschuldigd van “misdaden tegen de menselijkheid” en “schendingen van het oorlogsrecht”. Om deze personages te situeren, erkent het rekwisitoor in paragraaf 24 dat Milosevic en Milutinovic de verkozen president van resp. de Joegoslavische federatie en van Servië waren. Milosevic was in ‘90 en ‘92 met ruime meerderheid tot president van Servië verkozen, in ‘97 tot president van Joegoslavië. Toch hebben de media het steeds over de “dictator” Milosevic, de nieuwe term voor een staatshoofd dat de nationale belangen behartigt tegen de Nieuwe Wereldorde in.

 

De eerste vervolging van Milosevic betrof het recentste dossier, dat over Kosovo. Paragraaf 4 van het rekwisitoor tegen Milosevic stelt het zo voor de Kosovo een essentieel Albanees gebied is dat door Servische nationalisten onderdrukt werd: “In 1981, in de laatste volkstelling waaraan iedereen deelnam, was de totale bevolking van Kosovo ongeveer 1,585,000: 77% Albanezen, 13% Serviërs. (…) Geschat wordt dat de huidige bevolking van Kosovo tussen 1,800,000 en 2,100,000 bedraagt, van wie ongeveer 85-90% Kosovo-Albanezen 5-10% Serviërs.” Dit om te zeggen dat de Albanezen de grote meerderheid vormen en dus recht hebben op de macht in Kosovo.

 

Het opvallende hierbij is het totale gebrek aan historisch perspectief, want deze getalsverghouding zijn niet uit de lucht gevallen. De weigering om met de historische dimensie rekening te houden, past helemaal in de linksliberale visie van ééndimensionalisering van de mens die hem volledig invangt in een manipuleerbaar heden. Alleen al de halvering van het percentage Serviërs tussen 1981 en 1999 vergt een verklaring, namelijk het wegpesten door de Albanezen. Historisch onderzoek toont aan dat er in 1455, in de centrale regio Drenica, 1.900 families leefden van wie 1.873 Servisch en 10 Albanees. De Kosovaarse stad Prizren was een tijdlang de hoofdstad van Servië. Zelfs de volkstellingen van 1921 en 1931 tonen nog steeds geen Albanese meerderheid voor deze regio. Het Albanese karakter van Kosovo dat het rekwisitoor zo benadrukt is het gevolg van een beleid, in verschillende periodes, van gedwongen islamisering (onder de Turkse bezetting) en gedwongen Albanisering. Onder de Italiaanse bezetting werden vele Albanezen ingevoerd en Serviërs weggejaagd.

 

Onder Tito werd de verjaagde Serviërs de terugkeer verboden, en kregen de Albanezen de facto politieke voorrechten, zodat zij als provinciale machthebbers de overblijvende Serviërs verder het leven zuur konden maken en hen tot emigratie aansporen. Eigenlijk herbegon de geleidelijke verdrijving van Servërs al eind jaren ‘60. Naar schatting 200.000 Serviërs werden verjaagd tussen 1965 en 1981, waarna de druk op de Serviërs alleen verergerde. Destijds meldde de New York Times (12-7-1982: “Exodus of Serbians stirs province in Yugoslavia”): "’De [Albanese] nationalisten hebben een programma van twee punten’, aldus Becir Hoti, een uitvoerend secretaris van de Communistische Partij van Kosovo, 'eerst om wat zij een etnisch zuivere Albanese republiek noemen te vestigen en dan om deze met Albanië te verenigen tot een groot-Albanië."' De grote Albanese meerderheid is dus niet alleen het gevolg van demografische verschillen maar vooral van etnische zuiveringen.

 

 

Het Albanese separatisme

 

Paragraaf 6 van het rekwisitoor zwaait met het vingertje naar Milosevic: “In april 1987 reisde Slobodan Milosevic, die in 1986 verkozen was tot voorzitter van het Presidium van het Central Comité van de Communistenbond van Servië, naar Kosovo. In ontmoetingen met Servische leiders en in een rede voor een massa Serviërs steunde hij een Servisch-nationalistische agenda. Daardoor brak hij met het beleid van partij en regering, dat alle uitingen van nationalisme in Joegoslavië beteugeld had sinds de tijd van zijn oprichting door Josip Broz Tito na WO 2.”

 

Dat het wegpesten van niet-Albanezen door Albanezen wel eens een vorm van verfoeid nationalisme zou kunnen zijn, komt bij Carla Del Ponte niet op. Dat er iets mis is met een staat die allerlei pro-Albanese en anti-Servische discriminaties duldt, evenmin. Hier onthult zij hoe zij in feite een Sovjet-agente is, en hoe de Nieuwe Wereldorde de bolsjevistische agenda voortzet met andere middelen. Kijk eens, zegt ze met heilige verontwaardiging, die foute Milosevic week af van die goeie communistische partijlijn, vastgelegd door die goeie antinationalist Tito!

 

In 1990 namen 114 van de 123 Kosovo-Albanese leden van het Kosovaarse parlement een onofficiële resolutie aan die Kosovo losmaakte van Servië en tot zelfstandige Joegoslavische republiek uitriep. Diezelfden politici proclameerden later dat jaar ook een “grondwet van de republiek Kosovo”. In september 1991 organiseerden zij een onofficieel referendum waarin de grote meerderheid van de Kosovo-Albanezen zich voor onafhankelijkheid uitsprak. Op 24 mei 1992 hielden zij onofficiële verkiezingen voor een parlement en president van de ‘Republiek Kosovo’. Inmiddels werden de officiële instellingen inbegrepen het onderwijs geboycot. Uit de parallelle scholen die toen opgericht werden, kwamen de meeste strijders voort van het Ushtria Çlirimtare e Kosovës (UÇK), ook bekend als Kosovo Liberation Army (KLA).

 

Het UCK kwam boven water in december 1994, toen het een politie-inspecteur vermoordde en meteen de verantwoordelijkheid opeiste. Tegelijk maakte het aanspraak op eerder gepleegde moorden op “bezetters en verraders”. Vanaf 1996 volgden openlijke gewapende aanvallen tegen de Joegoslavische politie. Overigens had het UCK sinds 1982 een voorloper, de Nationale Beweging voor de Republiek Kosovo (NPRK), bestaande uit een groep emigranten in Duitsland en vier plaatselijke groeperingen: de Beweging voor de Albanese Socialistische Republiek in Joegoslavië (PASRJ), de Marxistisch-Leninistische Organisatie van Kosovo (OMLK), de Communistisch-Leninistische Partij van Joegoslavische Albanezen (PKMLSHJ) en het Rode Volksfront (FKB). Wat bewijst dat het Albanese anti-Servische (zij het nog niet altijd anti-Joegoslavische) separatisme van vóór Milosevic en zijn “Servisch nationalisme” dateert. NPRK-milities waren al actief vanaf 1990. In het onvermijdelijke spelletje van “meester, hij is begonnen!” mag hier alleszins vastgesteld worden dat de Serviërs niet begonnen zijn.

 

Vanaf 1996 vonden er regelmatig botsingen plaats tussen Albanees-separatistische strijders en Joegoslavische ordediensten (ik noem ze niet “Servisch”, want het multi-etnisch korps omvatte ook zigeuners en zelfs Albanezen). Daarbij vielen, uiteraard aan beide zijden, een deel van de wellicht 3000 slachtoffers van rest-Joegoslavië’s Kosovo-crisis. De rest bestond vooral uit slachtoffers van UCK-terreurdaden: zowel Serviërs als Albanese “verraders” en “collaborateurs”. Ja, er zijn daar Kosovo-Albanezen gedood, maar lang niet allemaal door de Joegoslavische troepen, die veel minder grote middelen ontplooide dan het leger van Macedonië deed tegen zijn Albanese milities.

 

 

Het UCK werd materieel gesteund door islamitische terreurnetwerken van ondermeer de toen nog niet zo bekende Osama bin Laden. Ondermeer daarom rieden Israëlische experts de pro-UCK en anti-Servische interventie af. Maar Washington ging door en knoopte een soort diplomatieke betrekkingen aan met het UCK, spoedig gevolgd door Berlijn. Duits buitenlandminister Klaus Kinkel riep alle Europese landen op om het Amerikaanse te volgen en contact te maken met het UCK.

 

 

Wie met terroristen slaapt, krijgt hun vlooien. Dus besloot de NAVO begin 1999 om de Servische troepen uit Kosovo te verdrijven en het UCK luchtsteun te verschaffen met bombardementen. Dit was de fameuze “humanitaire interventie” gerechtvaardigd door het gloednieuwe “recht op inmenging”. En aangezien de bombardementen, die in 78 dagen minstens 6000 doden zouden maken, een humanitair karakter hadden, kregen ze als codenaam “Merciful Angel”. Overigens had het Amerikaans Congres de aanval op rest-Joegoslavië niet goedgekeurd onder de War Powers Act, zodat hij ook volgens de Amerikaanse wet illegaal was.

 

 

Sedert de NAVO in Kosovo een bezettingsmacht geïnstalleerd heeft, zijn de helft van de overblijvende Serviërs en de grote meerderheid van de Zigeuners er gevlucht. Op de noordelijke provincie na is het gebied nu praktisch homogeen Albanees. Bij het voltooien van dit artikel verneem ik van een vriend die uit het gebied terug is, dat er net zes Servische kinderen door Albanese strijders gedood zijn. Tranerige propaganda of een mooi staaltje van het NAVO-djihaad-condominium?

 

 

“Bewijzen” in Den Haag

 

Typisch voor de hele procesgang in Den Haag is het minuscule gebruik van materiële bewijzen en het overvloedige vertrouwen op ooggetuigenverslagen. Dit is de minst betrouwbare vorm van bewijs, want het gemakkelijkst te manipuleren, namelijk via beloningen en bedreigingen. Zoals bekend blijken zelfs bekentenissen vaak het product van allerlei berekeningen, irrationele zieleroerselen, koehandels met de ondervragers, pogingen om derden te beschermen of om de wraak van de echte schuldige te ontlopen. De rechtsgeschiedenis kent talloze gevallen van veroordelingen op basis van getuigenissen en bekentenissen die achteraf vernietigend weerlegd werden door laattijdig opgedoken materiële bewijzen. Maar juist in een proces dat zich een historische voorbeeldfunctie aanmatigt, vertrouwt men bijna volledig op de verklaringen van betrokkenen eerder dan op echte bewijzen.

 

Zo doet George Pumphrey (www.emperors-clothes.com) het verhaal van Srebrenica-kroongetuige Drazen Erdemovic. Deze bood zichzelf aan bij een nieuwsploeg van ABC in Servië in maart 1996, met het verzoek om naar Den Haag gebracht te worden. Afkomstig uit een etnisch gemengd milieu, had hij eerst in een Kroatische militie gevochten maar zich nadien bij de Bosnisch-Servische troepen van Ratko Mladic aangesloten. Na een ruzie met zijn commandant besloot hij wraak te nemen door zijn verhaal aan de grote klok te hangen. Hij verklaarde deelgenomen te hebben aan het neerschieten en begraven van 1200 Moslims nabij Srebrenica. Volgens Pumphrey deed het tribunaal zelfs niet de moeite om te verifiëren of de kogels in het door Erdemovic aangewezen massagraf overeenstemden met de door hem gegeven details. In ieder geval werden daar slechts een 150-tal doden aangetroffen.

 

Na zijn getuigenis, dat het tribunaal alvast tegen zijn oversten kon gebruiken, werd Erdemovic zelf in beschuldiging gesteld wegens zijn deelname aan de door hemzelf beschreven feiten. Om zijn straf zo kort mogelijk te houden, moest hij zijn vervolgers nu wel alles geven waar ze hem om vroegen: sterke verhalen die Servische leiders belastten. Hem veroordelen was strategisch nodig met het oog op een eventuele latere veroordeling van zijn uiteindelijke overste, de nog voortvluchtige generaal Mladic, maar alle beschuldigingen tegen zijn oversten werden hem ten goede aangerekend. Hij kreeg uiteindelijk vijf jaar, een milde straf volgens de rechters, en wel wegens zijn “eerlijkheid”, die immers bleek uit zijn “bekentenis” en “volgehouden erkenning van schuld”. Wie zijn eigen onschuld zou volhouden, zou daarentegen als onoprecht beschouwd worden.

 

Er is een hiërarchie in de partijdigheid van het tribunaal. Westerse leiders die bombardementen met duizenden slachtoffers bevolen hebben, mogen zelfs niet vernoemd worden; geen enkele NAVO-politicus noch NAVO-soldaat is gedagvaard. Het mag gerust herhaald worden: dit is overwinnaarsrechtspraak. En wanneer Milosevic dat in Den Haag luidop zegt, schakelt het tribunaal gewoon zijn microfoon uit. De sterkere partij probeert ook helemaal niet te verbergen dat hier dubbele standaarden gelden, noch dat dwang gebruikt wordt om de verliezers tot de gewenste bekentenissen te bewegen.

 

 

Wat de plaatselijke “misdadigers” betreft: Serviërs worden gedagvaard en veroordeeld tot op het hoogste niveau, Kroaten tot op redelijk hoog militair niveau (beginnende Amerikaanse druk om president Franjo Tudjman te dagvaarden werd door diens dood achterhaald), terwijl bij de Moslims alleen symbolisch enkele kleine garnalen opgeofferd worden. Maar daarbij zitten wel enkele leerrijke gevallen.

 

 

Zo werd in april 2003 Naser Oric, de Moslim-commandant van Srebrenica opgepakt. We leren dus dat die Moslims in Srebrenica toch niet zo’n meelijwekkende lammetjes waren: “Volgens de aanklacht martelden en mishandelden Oric en zijn troepen tussen juni 1992 en maart 1993 op het politiebureau van Srebrenica Servische gedetineerden, van wie enkelen werden doodgeslagen. Ook werden onder leiding van Oric zo’n vijftien dorpen geplunderd die overwegend door Serviërs bewoond werden” (De Standaard, 12-4-2003). Blijkbaar mag de demonisering van de Serviërs nu wat gemilderd worden, daar haar doel toch bereikt is.

 

 

Interessant zijn ook hier de procedures van het tribunaal: “Een woordvoerster van het Joegoslavië-tribunaal, Florence Hartmann, zei dat de aanklacht tegen Oric geheim was gehouden om zijn arrestatie te vergemakkelijken.” Vuile streken waren hier schering en inslag. Een Servische verdachte, Milan Kovacevic, was opgepakt door Britse soldaten in uniformen van het Rode Kruis, wat overduidelijk in strijd is met het internationaal erkende statuut van die neutrale hulporganisatie. Milosevic himself werd onder economische druk (de VS weigerde anders alle economische hulp) onwettig uitgeleverd door premier Zoran Djindjic, tegen een gerechtelijk vonnis en tegen de democratisch gesteunde weigering van president Vojislav Kostunica in. Overigens is de beloofde Amerikaanse hulp nog steeds niet aangekomen.

 

 

 

Het geval Djindjic

 

Zoran Djindjic is een prachtig voorbeeld van het soort politiek dat de Nieuwe Wereldorde in het vroegere Oostblok promoot. Deze “ex”-communist en oudstudent van de extreemlinkse denkmeester Jürgen Habermas werd in de New York Times geprezen als “pragmatisch” en genoot financiële steun uit de VS voor de verkiezingscampagne die hem in de regering bracht. Hij had op 1 april 2001 gepoogd om Milosevic’ arrestatie (die nadien volgens de regels uitgevoerd werd) te forceren met een schietpartij tussen de soldaten die de verblijfplaats van Milosevic bewaakten en gemaskerde politiemannen die de opdracht kregen om hem te arresteren. Nadat reeds enkele gewonden gevallen waren, kon alleen het ingrijpen van president Kostunica een bloedbad voorkomen.

 

 

Toch gold Djindjic in onze media als de witte ridder. De Standaard (22-8-203) omschrijft Djindjic als “hervormingsgezind”, de gebruikelijke vleiterm voor de Oost-Europese voorkeurpolitici van het linksliberale Westerse establishment: anti-anti-communist en anti-nationalist (kwaliteiten die ook Milosevic in 1995 tot de uitverkoren partner van de VS maakten, bereid om 100.000 Serviërs uit Kroatië te laten verjagen). Bovendien “was Djindjic naar verluidt van plan om de maffia aan te pakken”, en zou hij in maart 2003 om die reden vermoord zijn.

 

 

Zou het? Volgens John Laughland (“Why bombs don’t make democracies”, American Conservative, 2-6-2003) zat juist Djindjic tot zijn nek in het mafia-kluwen. Rond 1990 begon hij als sigarettensmokkelaar en handelaar in valse merkkledij, aldus citeert Laughland een Servische krant die onder Djindjic’ premierschap gesloten is. Vandaar klom hij op om één van de rijkste mannen in het land te worden. Juist daarom was hij de geschikte contactman voor de Amerikanen: “Hier was een man die alleen om eigen gewin gaf en niet om zijn land.” Laughland wijst erop dat de VS ook in Albanië, Kosovo en Macedonië de politieke ambities van de mafia actief gesteund hebben.

 

 

Wat de moord betreft, het is zeer onwaarschijnlijk dat de mafia iets te vrezen had vanwege Djindjic. Indien toch, dan had de typische tactiek van de mafia erin bestaan, een ondergeschikte te vermoorden om de topman onder druk te zetten (schakelt men de topman uit, dan wordt het juist moeilijker om zaken te doen). Volgt men het spoor naar “wie voordeelt heeft” bij de moord, dan zou men juist Djindjic’ gelijkgezinden en medewerkers met de vinger moeten wijzen. Niet dat er onder hen geen mafiosi zijn, maar de beweegreden is in dit geval ambitieuzer dan mafia-zaakjes.

 

 

Na de moord riepen zij de noodtoestand uit, merkt Laughland op: “Gebruik makend van bijzondere machten die het Westen als dictatoriaal had veroordeeld toen Milosevic erin voorzien had in 1992 (en die hij nooit gebruikt had), lieten zij 8000 mensen oppakken voor ondervraging, van wie er 2000 vastgehouden werden zonder contact met familie of advocaten en zonder formele aanklacht. (…) Politici van Milosevic’ Socialistische Partij en van oud-president Kostunica’s Democratische Partij waren prominent onder de gearresteerden, evenals journalisten die ‘de moord op Djindjic geïnspireerd hadden’ door hem te bekritiseren. (…) dit gebruik van staatsorganen om de oppositie uit te schakelen werd geestdriftig verwelkomd door Westerse regeringen.”

 

 

De Servisch-Amerikaanse columnist Srdja Trifkovic (“Serbia after Djindjic: the plot thickens”, Chronicles, 22-3-2003) noemt nog andere geviseerden die de Westerse geestdrift verklaren: “De atmosfeer van angst en fysieke zowel als juridische onzekerheid is nu erger dan in de donkerste dagen van Milosevic. (…) Er is een eind gekomen aan een stakingsgolf omdat de vakbonden het onder de noodtoestandwetten niet aandurven, bijeenkomsten te organiseren of het beleid te bekritiseren. Twee populaire dagbladen zijn gesloten, de meeste hoofdredacteurs werken in een verstikkend klimaat van zelfcensuur.” Trifkovic noemt ook plannen van Djindjic’ opvolger Zoran Zivkovic om de twee nationalistische partijen, als “inspiratoren van de moord”, buiten de wet te stellen. In één moeite worden ook de rechtbanken “gezuiverd” en met mannetjes van het nieuwe regime gevuld.

 

 

Laughland plaatst dit in een bredere context: “Er is veel te doen geweest over de plotse bekering van zogenaamde communisten tot de deugden van het kapitalisme. Maar de gelijke doch tegengestelde trend is nauwelijks opgemerkt: de aanvaarding door Westerse beleidvoerders van de sleutelbeginselen van het gediscrediteerde communistische geloof. Belangrijkst onder hen is de mythe van de revolutie. Van Boekarest over Belgrado tot Bagdad worden totaal kunstmatige evenementen voorgesteld als spontane acties van ‘het volk’ (…) Overeenkomstig deze nieuwe revolutionaire doctrine moedigt het Westen chaos en misdaad aan om de oude orde te verscheuren en de bevolking in dagelijkse materiële zorgen onder te dompelen zodat ze geen politieke weerstand kan bieden.”

 

 

Laughland noemt nog enkele parallellen tussen rest-Joegoslavië en Irak: allebei onder langdurige sancties blootgesteld aan de greep van de mafia; tegenover een Djindjic heeft Irak zijn door de VS geparachuteerde Ahmed Chalabi, veroordeeld tot 20 jaar cel wegens bankfraude; Irak na vijf maanden nog zonder stroom, Kosovo zelfs na vier jaar idem. Er zit blijkbaar een systeem in de raadselachtig destructieve politiek van het Westen. En dat systeem verklaart hoe Zoran Djindjic, mafioso en gangmaker van een nieuwe dictatuur, de man van Washington kon worden, en de leverancier van topverdachten aan het Joegoslavië-tribunaal.

 

 

 

Aanfluiting

 

 

Gary J. Bass, docent Internationale Politiek in Princeton en fel pleitbezorger van het ICTY, noemt als succes dat “de aanklagers erin geslaagd zijn, Milosevic voorgoed uit de Balkan-politiek weg te krijgen” (“Milosevic in The Hague”, Foreign Affairs, mei 2003). Maar het is niet de taak van een rechtbank, de kansen van een politicus te beïnvloeden, zeker niet in het moeizaam ontwikkelde systeem van de scheiding der machten. Bass’ verklaring is gewoon een brutale bevestiging van Milosevic’ eigen stelling dat het om een politiek proces gaat, geen rechtspleging maar de voortzetting van de Amerikaanse politiek onder een gerechtelijke façade.

 

 

Ook Carla del Ponte geneert zich niet voor haar aanfluitingen van normale rechtsprocedures: “De aanklagers van het Joegoslavië-tribunaal hebben hun hoop gevestigd op deals met andere verdachten om te kunnen bewijzen dat Slobodan Milosevic schuldig is aan genocide in Bosnië. (…) Alleen als aangeklaagde politici en officieren in ruil voor een lagere straf bereid zijn tegen Milosevic te getuigen, denkt Del Ponte nog te kunnen aantonen wat zij wil aantonen: dat Milosevic betrokken was bij de massamoord in Srebrenica en het beleg van Sarajevo.” (De Standaard, 17-7-2003) Dit betekent het volgende: gevangenen die al een tijd in Den Haag zitten, wier positie inmiddels welbekend is en van wie geweten is dat zij geen bezwarende verklaringen tegen Milosevic af te leggen hebben, zullen er met wortel en stok toe overgehaald worden, hun eerlijke herinnering aan de gebeurtenissen te vervangen door een versie die de aanklagers welgevallig is.

 

George Pumphrey somt dergelijke aanfluitingen op en verzucht: “Als dit de internationale wettige jurisprudentienorm wordt, kan geen enkel nationaal rechtssysteem, hoe goed het op zich ook is, de druk van zulk een totalitair rechtssysteem weerstaan. Als dit soort procedure rechtskracht krijgt op internationaal niveau, dan zal het ook nationale rechtsstandaarden bepalen. De mensheid zal in rechtskundig opzicht teruggeflitst worden naar de normen van het tijdperk van de inquisitie.” Inderdaad.

 

 

 

(Nucleus, september 2003)

 

 

 
Copyright © 2019 Koenraad Elst. All Rights Reserved.
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.