Een kwarteeuw geleden: mijn eerste islamkritiek PDF Print E-mail
Written by Koenraad Elst   
Monday, 07 April 2014 21:08

 

 




Juist een kwarteeuw geleden publiceerde ik mijn eerste islamkritisch artikel. Het beschreef de voorgeschiedenis van het doodvonnis door ayatollah Chomeini over de schrijver Salman Rushdie, een zaak die een half jaar eerder in India losgebarsten was met een verbod op zijn pas verschenen boek De Duivelsverzen. Mijn tekst verscheen toen op de eerste bladzijden van het communistische weekblad Toestanden (3 maart 1989), en was de aanleiding voor lezingen bij de Brusselse en Sint-Niklase afdeling van het Masereelfonds. In die tijd was de linkerzijde nog anti-religie en verwelkomde zij dus mijn islamkritiek.


Het VB was toen niet tegen de islam


Dat feit zelf weerlegt heel wat praatjes. Zo vertelt men wel eens dat ’11 september 2001 een golf van islam-bashing op gang bracht’. Aangezien de daders van de aanslagen in Washington en New York zich uitdrukkelijk op de islam beriepen, lijkt het mij maar normaal dat mensen de islam tegen het licht gingen houden, sommigen op een geleerde en anderen op een minder gesofistikeerde manier. Ikzelf schreef toen al twaalf jaar over de islam, en de eerste aanleiding daarvoor was een ontmoeting in Varanasi 1988 met een familie vluchtelingen uit Bangladesh, die pas na intens pramen met grote moeite het verhaal van hun vervolging door hun moslimburen prijsgaven. (Daaraan herken je vaak echte vluchtelingen; daarentegen komen asielzoekers die hoog opgeven over hoe ze gefolterd zijn, soms een ingestudeerd verhaaltje opdissen). Overigens waren die vluchtelingen net zo donkerhuidig als hun buren, en had hun verhaal niets met ‘racisme’ te maken. Ik was gewoon geschokt door wat ik vernam over tot wat religieus fanatisme leiden kan.


Sedert de late jaren ‘90 wordt islamkritiek in Vlaanderen ook herleid tot ‘Vlaams Blok!’ Die partij was aanvankelijk echter helemaal niet zo sterk tegen de islam als religie, soms zelfs integendeel. Het duurde meer dan drie jaar na mijn eerste en meerdere volgende artikelen eer die partij mij uitnodigde voor een lezing. Dat ik daarop inging, omdat ik het debat rationeel wilde hebben, werd mij achteraf zeer kwalijk genomen, alsof ik de ‘ideoloog’ was die deze partij op een anti-islamspoor had gezet.


Waarschijnlijk hadden ze mijn gastcolumns in de Gazet van Antwerpen opgemerkt, waaronder Moordwapens en Dooddoeners over het voorbeeldgedrag van de profeet in het vermoorden of terechtstellen van islamkritische schrijvers, ook toen al, in de zevende eeuw. In ieder geval ging het initiatief slechts uit van enkele partijtenoren tegen de algemene partijlijn in: die was toen nog anti-vreemdeling, met heel soms de islam als exotisch kenmerk, zonder inhoudelijke islamkritiek. Integendeel, in die tijd nodigden de Nationalistische Studenten Vereniging (NSV) onder leiding van huidig VB-parlementslid Bart Laeremans nog de Afghaanse islamstrijders - de voorlopers van de Taliban - uit om een lezing te geven over hun ‘vrijheidsstrijd’ tegen de Sovjets.




Het VB was tegen wat ‘vreemd’ was


Nog in 1996 verklaarde partijvoorzitter Frank Van Hecke dat het boeddhisme hem wegens ‘vreemd’ evenzeer tegenstond als de islam. Pas eind van de jaren ’90, dik vijf jaar na mijn vermaledijde lezing, kwam er een duidelijke bocht in de partijlijn, richting islamkritiek. Zelfs dan waren er partijleden, vooral de nostalgici naar damals, die de islam als bondgenoot tegen het ‘joodse gevaar’ en tegen de ‘vrijzinnige zedenverwildering’ verkozen; in 1992 was die strekking nog dominant.


De tekst van mijn optreden werd de kern van mijn latere boek De islam voor ongelovigen (1997). Alle commentatoren die mijn tekst daadwerkelijk gelezen hadden, zowel van VB-zijde (Marc Joris) als ter linkerzijde (Patrick Stouthuysen, Lucas Catherine) merkten op dat mijn pro-assimilatiestandpunt lijnrecht inging tegen de toenmalige VB-lijn, die pro terugkeerbeleid was, met ondermeer een apart onderwijsnet voor vreemdelingen. Toch komt elke uiting van islamkritiek je in Vlaanderen automatisch op de kreet ‘VB-er!’ te staan. Ik heb er niet weinig last van gehad.


Helemaal absurd is het recente uitvindsel dat ‘goeroe’ Geert Wilders verantwoordelijk zou zijn voor de islamhaat. Islamapologeten zijn typisch ‘under-informed but over-opinionated’. De Rushdie-affaire, die sommigen in het Westen wakker schudde, deed zich voor vijftien jaar voor Wilders zijn partij, de liberale VVD, verliet en zich stilaan tot spraakmakend islamcriticus ging ontpoppen. Wilders heeft zich daarvoor terdege bij islamkenners geïnformeerd, vooral bij arabist Hans Jansen en bij de Amerikaans-Libanese islamanalyst Robert Spencer. Sindsdien ontplooit hij een politieke lijn tegenover het islamprobleem die veel beter onderbouwd is dan de multiculturalistische lijn van zijn tegenstanders, maar die nog altijd maar een vereenvoudigde versie is van wat islamkenners bij elkaar gestudeerd hebben. Echter, islamapologeten zijn onwetenden die niets ingewikkelders aankunnen dan politieke slagzinnen, en waarvan sommigen heus geloven dat islamkenners bij Wilders de mosterd gehaald hebben.




Van antireligieus tot islamofiel


De jaren ’90 werden evenwel gekenmerkt door een radicale verschuiving van de linkerzijde tegenover de islam die blijk gaf van de grootste verwarring en een volkomen gebrek aan dossierkennis. Eerst stelde zij zich vrijzinnig-antireligieus en -anticonservatief op, maar enkele jaren later werd zij zodanig islamofiel dat zelfs kras obscurantistische gebruiken als de gelaatbedekking en de vrouwenbesnijdenis op ‘begrip’ konden rekenen. Het hele arsenaal van linkse machtsposities in academia en de media, alle te mobiliseren linkse retorische kracht en linkse haat werd in dienst van de ‘ware’ islam gesteld. Een illustratie van deze evolutie was de fatwa van Yves Desmet (De Morgen) tegen islamoloog professor Urbain Vermeulen - ik besprak dat uitgebreid in mijn De islam voor ongelovigen. Universiteiten die vroeger al eens oriëntalisten benoemden die zich op basis van hun onderzoek tot islamcritici ontpopten, zijn daarna veel scherper gaan toezien op de ideologische conformiteit. En hebben vrij algemeen toegegeven aan de dominante kringen in de samenleving, die hoopten dat de olifant zou verdwijnen die door Khomeiny in het midden van de kamer was geplaatst, door het hoofd in het zand te steken.


Opvallend daarbij is de stelselmatige en volhardende oneerlijkheid van het islamofiele kamp. Een voorbeeld was de recente artikelreeks over 'racisme' in de voormalige kwaliteitskrant De Standaard, die grondig en doelbewust een amalgaam maakte tussen racisme en islamkritiek (de reeks werd vakkundig onderuit gehaald door Philippe Van den Abeele in De Standaard steunt islamfundamentalisme, De Bron 24/12/13 en De Bron 03/01/14 nvdr). Islamkritiek wordt met een militant-islamitische term als ‘islamofobie’ letterlijk tot geestesziekte verklaard  en effectief gecriminaliseerd (over deze tendens, die bij ons vooral verdedigd wordt door Bert Anciaux, publiceerden we eerder al De echte en de verzonnen Koran, De Bron 08/07/13 nvdr). Een minder elitair medium zou ter verschoning misschien onwetendheid kunnen pleiten, maar De Standaard is het aan zijn zelfbeeld verschuldigd dit excuus te versmaden. Dan blijft als verklaring alleen kwade trouw.




De mediatieke maar onbestaande islam


Zogenaamd gematigde moslims, die het negatieve publicitaire effect van de radicale islam betreuren, nemen het vertoog van de linkse islamofielen over. Zij vinden een ‘échte, gematigde islam’ uit, die zou verschillen van de ‘fanatieke islam’ of het ‘islamisme’. Deze mediatieke (maar volgens Tayyip Recep Erdoğan onbestaande) ‘échte’ islam moet dan als eerste verdedigingslijn dienen voor de echte, orthodoxe islam die o zo onschuldig zou zijn.


Vele ‘progressieven’ voelden wel de islamvijandige stemming bij de bevolking aan, en probeerden daarom een beetje als kritisch over te komen maar tegelijk de kritiek naar andere doelwitten dan de islam te kanaliseren.  Dat Taslima Nasrin sedert 1993 in Bangladesh vervolgd werd, lag niet aan haar feministische engagement, zoals onze media beweerden, maar aan haar pleidooi tegen de gewelddadige vervolging van de hindoeminderheid in december 1992; dat werd door de meesten van haar talrijke sympathisanten bij haar EU-prijsuitreiking hardnekkig ontkend of verdraaid.


Momenteel vraagt Annemie Struyf wat aandacht voor het probleem van de vrouwenbesnijdenis, maar de VRT heeft haar reportage wel naar niet-islamitisch Afrika afgeleid, terwijl de overgrote meerderheid van de getroffen vrouwen moslima’s zijn. Bovendien zijn praktisch alle gevallen van vrouwenbesnijdenis buiten Afrika, en dat zijn er nog altijd miljoenen en hun getal is stijgend, uitsluitend het werk van de mensen die zich op de islam beroepen: Jemen, Koerdistan, Indonesië en andere landen, en niet te vergeten sommige snel groeiende migrantengemeenschappen in Europa. Het is huichelachtig om je verontwaardigd te tonen over de vrouwenbesnijdenis zonder het probleem van de islamtradities  aan de orde te stellen. En dat is dus mijn eindoordeel over de officieel gepropageerde islamofilie: een mengeling van onwetendheid en huichelarij.


Bij alle laster was een grappige troost wel de neerbuigende houding van islamofiele intellectuelen. Vanuit hun krasse onwetendheid over de kerndoctrine van de islam nemen zij airs van superioriteit aan tegenover de feitengetrouwe eenvoud van de echte islamkenners. Die zouden niets begrijpen van de ‘ware’ islam, het terrorisme zou aan armoede en imperialisme te wijten zijn, de islamkenners zouden obsessief met de antieke grondteksten van de islam bezig zijn terwijl elk zinnig mens 'weet' dat ‘het islamisme’ een afwijking is van de ‘ware’ islam die lief en vredelievend zou zijn, zoals zijn zachtmoedige profeet.  Ze zijn zoals kinderen die volwassenen meewarig toespreken: ‘Dat speelgoed dat ’s morgens op 6 december bij de schoorsteen ligt, ze zeggen dat onze ouders dat daar gelegd hebben, maar dat verhaaltje moet je niet geloven, hoor. Dat komt van Sinterklaas.’




De islam is eenvoudig te doorgronden



Het leven is kort, maar langer dan nodig om een eenvoudig onderwerp als de islam te doorgronden. Ik lees nog wel eens iets over de islamgeschiedenis, maar eigenlijk bieden deze doctrine en haar toepassingen mij geen intellectuele uitdaging meer. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zij momenteel geen belang hebben: ik houd mij aanbevolen om mee te werken aan een beleid dat van eerlijke wetenschappelijke kennis over de islam uitgaat, niet van de sprookjes en taboes die het huidige islambeleid moeten rechtvaardigen. Maar aan de islam als doctrine die het handelen van moslims door de eeuwen heen motiveert, valt niets meer te doorgronden. Er blijven wel massaal veel mensen te overtuigen, maar veelal hebben zij de feiten al voldoende gehoord en hebben zij gewoon besloten er doof voor te blijven. Je kan een paard wel naar de rivier brengen, maar je kan het niet dwingen om te drinken. Sommige mensen zijn nu eenmaal gelukkiger in hun begoochelingen, en alleen onzachte aanraking met de werkelijkheid zal hen daaruit kunnen helpen. 


Ik persoonlijk heb de islam als probleem ontdekt kort nadat ik in 1988 in de Indiase stad Varanasi aankwam. Ik wilde er eigenlijk het hindoe-boeddhistische denken bestuderen, maar besloot dat de actuele interreligieuze verhoudingen een dringender aandachtspunt vormden. In mijn leven was de islamstudie eigenlijk een tijdelijke omweg. De laatste jaren heb ik de weg naar mijn eerste liefde teruggevonden. En daaraan wil ik in de jaren die mij resten het beste van mijzelf geven. Dat is zoveel boeiender dan altijd hetzelfde te moeten herhalen rond een islam die toch zo doorzichtig is voor wie doorheen het rookgordijn van de islamofielen heen wil kijken.
(De Bron, 3-3-2014)
 
Copyright © 2022 Koenraad Elst. All Rights Reserved.
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.