Genocide, het groot kanon in desinformatiecampagnes PDF Print E-mail
Written by Koenraad Elst   
Monday, 12 August 2013 10:55

Home

 

 


“Genocide”, Het Groot Kanon in Desinformatiecampagnes

(Dit is de tekst van de rede van dr. Koenraad Elst op het Nucleus-congres over “correctheid”, Brugge, 20 april 2007)

“Mijn holocaust is groter dan de jouwe”: aanspraken op en beschuldigingen van genocide zijn aan een sterke inflatie onderhevig.  Symmetrisch daarmee zijn ook minimaliseringen en wegverklaringen van de betrokken massamoorden een wapen in de propagandastrijd.  Maar soms zijn zij noodzakelijke rechtzettingen, dat moet geval per geval beoordeeld worden.  We bekijken een aantal voorbeelden.

Sedert de invoering van negationismewetten in een aantal landen krijgt iedereen die aan de pensée unique van de opiniehegemonen twijfelt, het verwijt van “negationisme”, met de impliciete dreiging van spreekverbod en bestraffing.  In Frankrijk zijn reeds vier historische kwesties onderworpen aan een van staatswege gedecreteerde versie: de joodse holocaust in 1941-45, de Armeense holocaust (de eerste die deze naam kreeg) in 1915-16, de koloniale slavernij en het bilan van de kolonisatie.  In België werkt men in dezelfde richting, en zelfs in het Nederland van vrijheid-blijheid stelt de Christen-Unie nu een verbod voor op de ontkenning van de joodse en de Armeense holocaust.  Andere landen zijn minder activistisch in het wettelijk opleggen van een geschiedenislezing maar kennen evenzeer een klimaat van toenemende vijandigheid jegens non-conformistisch historisch onderzoek.

Deze intellectuele terreur geldt trouwens niet alleen voor dissidente historici.  Wetenschappers die niet meedoen aan de paniek over de opwarming van de aarde, fungeren als een dood gewicht dat de Kyoto-maatregelen tegenhoudt die nodig zijn om vele miljoenen Nederlanders, Bangladesji’s en andere deltabewoners van de nakende zondvloed te redden.  Deze “broeikasnegationisten” zijn dus eigenlijk massamoordenaars die voor een Neurenbergtribunaal gedaagd moeten worden.  Er zijn ook wetenschappers die twijfelen aan de rol van HIV in de AIDS-epidemie.  Zij dienen als gezagsargument voor Afrikaanse potentaten die hun eigen bijgelovige theorietjes over AIDS-behandeling koesteren en daarom de orthodoxe condoomcampagnes blokkeren, “dus” zijn zij verantwoordelijk voor de dood van miljoenen huidige en toekomstige AIDS-doden.  Leg hen het zwijgen op vóór zij nog meer slachtoffers maken!

Maar het is toch vooral in de geschiedschrijving, met name over de nog recente geschiedenis, dat de negationismeterreur zich het sterkst laat voelen.  De wettelijke repressie tegen revisionisten blijkt bovendien als ijsbreker gediend te hebben voor andere vrijheidsdodende wetten, beleidslijnen en mediareflexen.  Zij installeert immers het principe dat de heersende klasse het recht heeft om de domme massa een “correcte” denkwijze voor te schrijven. 

Op dit hellend vlak hebben we in diverse landen al maatregelen gezien tegen andere “genocide-ontkenningen” dan die betreffende de joodse holocaust; steeds strenger wordende verbodsbepalingen tegen “racistische” uitingen en “discriminatie”; antiterreurwetten die zich niet alleen tegen betrokkenheid bij terrorisme maar ook tegen louter ideologisch “extremisme” richten (wat in België volgens defensieminister André Flahaut ook republikeinse en separatistische opvattingen omvat); inbreuken op de vrijheid van vereniging; gevaarlijke uitbreiding van de bevoegdheden van de veiligheidsdiensten; inbreuken op de rechten van de verdediging, tot en met een nieuwe tolerantie tegenover het gebruik van foltering.  Voor wie om de democratie en de rechtsstaat geeft, is het helemaal geen luxe om de wetten tegen ontkenning of minimalisering van genocides weer af te schaffen en de vrijheid van onderzoek volledig te herstellen.

Neerwaartse correctie

Er is volop reden voor eerlijke twijfel aan allerlei aspecten van bekende massamoorden.  Naargelang het geval kan men zich afvragen of ze überhaupt gebeurd zijn, welke omvang ze hadden, wie precies ze gepleegd heeft, wat de eventuele medeschuld van de slachtoffers was, wat de motieven van de daders waren. 

Zo zegt men gemeenzaam dat het Chinese Volksbevrijdingsleger tijdens en na de “vreedzame bevrijding van Tibet” in 1950 maar liefst 1,2 miljoen Tibetanen vermoord heeft.  Eén van de grootste gangmakers van dit cijfer, Patrick French, voormalig directeur van Free Tibet, heeft dit later als een wilde en ongefundeerde schatting herroepen.  In het algemeen volgden de Chinese bezetters vrij stipt de orders om de “maatschappelijke modernisering” en “ontwikkeling” van Tibet tot een pronkstuk in het maoïstische uitstalraam te maken.  De repressie tegen weerstandshaarden en de campagnes van de Culturele Revolutie (die uiteraard ook de andere delen van de Volksrepubliek trof), kunnen een dodentol van tienduizenden geëist hebben, maar meer toch niet, aldus French.  Zelfs de boeddhistische monniken, de ruggengraat van het oude regime en in de communistische visie schuldig aan systematische volksmisleiding met het vergif der religie, werden als zodanig niet uitgemoord (in tegenstelling met de communistische inname van Mongolië in 1920 en Cambodia in 1975, die wel in de collectieve afslachting van alle boeddhistische monniken resulteerde).  Dit is een eerlijke en onverdachte herziening, te onderscheiden van een moedwillige minimalisering.

Over het dodencijfer van de Bengaalse genocide door het Pakistaanse leger en islamistische milities in 1971, die vooral tegen de hindoe-minderheid gericht was, zijn we oprecht in het ongewisse.  De regering van het pas onafhankelijke Bangladesj hield het op 3 miljoen.  Men kan de demografische gegevens van vóór en na de gebeurtenissen bovendien zo interpreteren dat zij deze schatting bevestigen.  Uit voorzichtigheid zou ik het erop houden dat één miljoen wel een minimum is, maar dat het daarboven moeilijk wordt om nauwkeurig te zijn.

Een voorbeeld van malafide minimalisering zijn de alomtegenwoordige pogingen om de Holodomor (“hongermoord”) in vooral het Oekraïense deel van de USSR in 1932-33 met zijn minstens 7 miljoen slachtoffers te kleineren, blijkbaar om dit cijfer beneden de 6 miljoen te drukken.  Vaak wordt deze massamoord als een onpersoonlijke “ramp” omschreven, alsof er geen daders waren, namelijk de communistische bewindvoerders.  Hier wordt bovendien systematisch de meest effectieve techniek van ontkenning toegepast, namelijk het simpele doodzwijgen.  Zelden of nooit vindt men deze massamoord terug in de verplicht gedebiteerde lijstjes van de gruwelen van de 20ste eeuw.

Een terechte “minimalisering” of neerwaartse correctie is dan weer nodig in het geval van de Kongo-Vrijstaat.  Britse auteurs hebben achteloos het cijfer van 10 miljoen slachtoffers rondgestrooid, en dat wordt nu wereldwijd als evangelie geciteerd.  Gezien de geringe bevolkingsdichtheid van Kongo en de beperking van de rubberterreur tot enkele provincies is dit volkomen onmogelijk.  Jan Neckers, die documentaires over de kwestie gemaakt heeft, schat de dodentol op hoogstens anderhalf miljoen.

Een andere broodnodige correctie van dodencijfers naar beneden toe betreft de Servische “genocide” op Bosnische moslims in Srebrenica (juli 1995) en op Kosovaarse Albanezen (voorjaar 1999).  Het veelgeciteerde cijfer van “8000 doden” in Srebrenica blijkt niet met de basisgegevens te kloppen.  Destijds had de BBC er al op gewezen dat meer dan de helft van de daarin berekende slachtoffers door de Bosnische regering uit Srebrenica weggetrokken waren, een bewuste ontmanteling van de Bosnische militaire positie die juist de Servische verovering van de enclave mogelijk maakte.  De Canadese generaal-majoor Lewis McKenzie (“The real story behind Srebrenica”, The Globe and Mail, 14 juli 2005), de eerste bevelhebber van de VN-vredesmacht in Sarajevo, rekent voor dat 2 à 3.000 een veel realistischer schatting van de dodentol is:

“Bewijsmateriaal dat op het oorlogsmisdadentribunaal in Den Haag gegeven is, trekt het cijfers van ‘tot 8000’ gedode Bosnische moslims ernstig in twijfel.  In dat cijfer zijn ‘tot 5,000’ mannen begrepen die als ‘vermist’ geklasseerd zijn.  Er zijn ruim 2,000 lijken teruggevonden in en rond Srebrenica, met daarbij slachtoffers van de hele drie jaar strijd in de regio.  Het rekenwerk ondersteunt de schatting van 8.000 niet.”  

Het groteske van de genocidepropaganda bleek vorig jaar nog, toen een video waarop de moord op een handvol Bosnische gevangenen te zien is, als weerlegging van elk “Srebrenica-negationisme” opgevoerd werd, net alsof de door niemand betwiste moorden op kleine schaal het bewijs voor een “genocide” kunnen vormen.  En tenslotte, zoals McKenzie niet zonder schroom opmerkt: zelfs bij de meest maximalistische telling kan er nog niet ernstig van genocide sprake zijn, want alleen strijdende mannen werden geviseerd, terwijl een echte genocide natuurlijk ook de afslachting van vrouwen en kinderen impliceert.   

Wat is er dan echt gebeurd?  Nadat de Canadese generaal Philippe Morillon, als voldongen feit tegen zijn VN-orders in, de “safe haven” van Srebrenica oprichtte, infiltreerden de Bosnische moslims duizenden strijders in de enclave om van daar uit de omliggende Servische dorpen aan te vallen.  Na de dooi in 1995 verwachtten zij een Servisch tegenoffensief, waarop de meesten de enclave tijdig verlieten.  De Bosnische regering had van meet af als deel van haar strategie de wereldopinie gemanipuleerd (waartoe het twee New-Yorkse PR-agentschappen had ingehuurd), en ook hier speelde de berekening mee dat een Servische inname van een onverdedigde stad onder VN-bescherming wel tot internationale reactie zou leiden.  En zo geschiedde.  Slechts enkele weken later maakten NAVO-bombardementen gecombineerd met een grondoffensief van het Kroatische leger een eind aan de Servische posities in Kroatië en een deel van Bosnië.

In 1999 werd dit scenario nog eens overgedaan in Kosovo.  De Westerse media gonsden van verhalen over een Servische “genocide” op de Albanezen. Een kwart miljoen slachtoffers in massagraven, zo werd beweerd, een cijfer dat Mark Eyskens recent nog in alle ernst op TV herhaald heeft.  Ook hier weer klopt het veel beperkter aantal gevonden lijken totaal niet met de wilde beweringen, en bovendien betreft het graven van zowel Serviërs en Zigeuners als Albanezen, zowel strijders als burgers, zowel mannen als vrouwen, zowel van vóór als van tijdens de crisis van 1999.  Maar zolang de opwinding over de vermeende “genocide” duurde, was het klimaat gunstig voor een militair offensief tegen Servië, en president Bill Clinton liet de gelegenheid niet voorbij gaan. 

Het indianenverhaal over Kosovo had dezelfde functie als de komedie over de mishandeling van Koeweitse broeikaskinderen door Iraakse soldaten in 1990, die de geesten in Washington rijp maakte voor de eerste oorlog tegen Saddam Hoessein.  Uiteraard werd zowel deze laatste als de Servische president Slobodan Milosevic “de nieuwe Hitler” genoemd, het ultieme argument om alle normen uit het volkerenrecht met heilig verontwaardigde oorlogswil te overtroeven.  Wie op de nieuwe Hitler geen bommen wil gooien, die heeft immers de verfoeilijke “geest van München”, aldus VS-buitenlandminister Madeleine Albright.

Toewijzing van schuld

Wat de toewijzing van schuld betreft, ook hier bestaan eerlijke meningsverschillen naast moedwillige leugens.  Een voorbeeld van dit laatste lazen we zopas in Tertio (14-2-2007, Sabine Alexander: “Tijdloze elegantie en rust”) over Cambodja: “Die nationalistische reflex kende een tragisch hoogtepunt in de jaren 1970.  Toen werd het land in een burgeroorlog gedreven die uitmondde in de terreur van de Rode Khmer.  Zij streefden naar een groot-Cambodjaans rijk dat de glorie van het oude Cambodja moest evenaren maar gedurende hun 4-jarig bewind brachten ze vooral dood en vernieling.”  Vreemde “nationalisten”, die Rode Khmers, want nationalisten streven er doorgaans naar om de eigen bevolking te doen toenemen.  In werkelijkheid beleden zij natuurlijk het communisme en streefden zij niet naar een groot-Cambodjaans rijk maar naar de klassenloze maatschappij onder leiding van de proletarische voorhoedepartij.

(Het nationalisme is momenteel erg in trek als zondebok.  Zie recent ook de moord op drie christelijke zendelingen in de Turkse stad Malatya, volgens het VRT-nieuws het werk van “ultra-nationalisten”.  Er was nochtans geen nationalistisch aspect aan deze aanslag op mensen die etnische Turken trachtten te bekeren, te onderscheiden van niet-Turkse christenen zoals Grieken, Assyriërs of Armeniërs.  Eén van de daders verklaarde aan de politie dat hij het niet uit persoonlijke motieven gedaan had, “maar voor de islam”.  Zoals het Cambodjaanse communisme destijds wordt vandaag de islam tegen kritiek afgeschermd.)

Nog zoiets zijn de talloze pogingen om het terreurbewind van de Sovjets voor te stellen als een voortzetting van tsaristische praktijken, iets wat nu eenmaal eigen was aan de Russische ziel.  Nochtans telde men de politieke gevangenen onder de tsaren in honderden, die onder het Sovjet-bewind in ettelijke miljoenen.  Een “verbanning naar Siberië” onder de tsaren was gewoon een binnenlandse verbanning, in niets te vergelijken met opsluiting in de communistische Goelag.  Overigens maakte de bolsjevistische Oktoberrevolutie geen einde aan het betrekkelijk autoritaire tsarenbewind (zoals geschiedenisoverzichtjes in schoolboeken en in De Morgen het graag voorstellen) maar aan het liberaal-democratische bewind dat zelf in de Februarirevolutie de tsaar onttroond had.

In Rwanda heeft men tien jaar lang “de Hutu’s” onder leiding van veteranen van het regime van de vermoorde president Juvénal Habyarimana als schuldigen aangewezen voor de moord in 1994 op naar verluidt 800.000 landgenoten, vooral Tutsi’s.  Oppervlakkig gezien is dit grotendeels juist.  Recent onderzoek, ooggetuigenissen en alvast één vonnis door een Franse rechtbank hebben inmiddels duidelijk gemaakt dat de gebeurtenis die de genocide getriggerd heeft, namelijk de moord op Habyarimana, het werk was van de invasietroepen van de huidige president Paul Kagame, die de sfeer in het land voldoende kende om te weten wat de gevolgen zouden zijn.  Toen wijlen Rika De Backer terecht op deze medeschuld van de invasietroepen wees en daarmee de schuld van de Hutu’s “minimaliseerde”, werd zij voor “negationist” uitgescholden.

Een andere factor was de buitenlandse druk die de wettige regering-Habyarimana gedwongen had tot een ongelijk “vredesakkoord” dat de bezetting van een kwart van het land door invasietroepen legitimeerde.  Dit wekte een angstpsychose bij de Hutu-bevolking, die hierin de voorbode zag van een nieuwe onderwerping aan de opmarcherende Tutsi’s,-- terecht, zoals zou blijken.  Verder waren er de fouten van de Belgische regering (niet het Belgische volk, namens hetwelk premier Guy Verhofstadt volkomen absurd zijn verontschuldigingen is gaan aanbieden), van de VN-vredesmacht e.a., ruim voldoende om de alleenschuld van “de Hutu’s” sterk te relativeren.  Maar de hoofdschuldige lijkt mij toch degene te zijn die uiteindelijk het meest zijn voordeel gedaan heeft met de Rwandese catastrofe, namelijk invasieleider en Habyarimana-moordenaar Paul Kagame, uitgerekend degene tegenover wie Verhofstadt zijn schuldbekentenis uitgesproken heeft.

De vraag naar de intentie

Soms komen miljoenen mensen aan hun einde zonder dat iemand hun dood gewild heeft.  De dodentol van voorzitter Mao’s Grote Sprong Voorwaarts (1958-62) wordt geschat op 10 tot ruim 40 miljoen, zonder twijfel de proporties van een genocide.  Toch hadden noch Mao Zedong noch andere partij- en regeringsleiders de bedoeling om het Chinese volk, de boerenstand of wie dan ook uit te roeien.  Tijdens de Burgeroorlog, de repressie na de communistische machtsovername, de Anti-Rechtsen-Campagne of de Culturele Revolutie hebben zij doelbewust miljoenen mensen laten afmaken, maar dat was niet het opzet van de Grote Sprong Voorwaarts.  Integendeel, zij geloofden oprecht dat zij hiermee de vooruitgang en op termijn de volkswelvaart bevorderden.  Dat de geforceerde industrialisering van het platteland tot de ontwrichting van de landbouw en tot hongersnoden zou leiden, was niet voorzien en mag als ’s werelds omvangrijkste voorbeeld van “zijdelingse schade” (collateral damage) gelden.

Dat neemt niet weg dat men een duidelijke schuldige kan aanwijzen: het communisme.  Dit systeem creëert de begoocheling dat de staat naar willekeur experimenten kan verordenen en daarbij de menselijke en economische wetmatigheden kan negeren.  Dat zou nog niet zo heel erg zijn als de feedback vanuit de werkelijkheid tot een spoedige bijsturing van zulk schadelijk beleid zou leiden.  Maar de terreur die inherent is aan het communisme, verhinderde dit.  De plaatselijke besturen durfden de waarheid niet bekend te maken en stuurden valse rapporten over glorierijke productiecijfers naar Beijing.  Daardoor hield men de heilloze politiek veel langer vol, met een snel vermenigvuldigende dodentol als resultaat.

Ook in het geval van de Kongo-Vrijstaat geeft de omschrijving “genocide” een valse indruk van intentionaliteit.  Koning Leopold II had helemaal niet de bedoeling om de Kongolezen of bepaalde Kongolese stammen uit te roeien.  Hij wilde hen juist exploiteren en had er dus alle belang bij dat zij in leven bleven.  De meeste slachtoffers zijn ook niet gedood, in de zin van: door strijdkrachten met wapens om het leven gebracht.  Maar zijn beleid van extreem versnelde ontginning van het rubberpotentieel (met het oog op een verwachte prijsdaling, die zich enkele jaren nadien, na betere organisatie van de productie in diverse landen, inderdaad voordeed) leidde zijdelings tot ontwrichting van de samenleving en de landbouweconomie, dus tot hongersnood en massasterfte.

De Armeense kwestie

Laatst is er veel te doen geweest om de Armeense genocide.  Belgisch-Turkse politici hebben deze expliciet ontkend danwel geweigerd om de vraag te beantwoorden of zij deze als feit erkenden.  De Nederlandse Partij van de Arbeid heeft zichzelf veel last bezorgd toen zij van een Turks parlementskandidaat een duidelijke erkenning van deze historische gebeurtenis eiste.  Vermoedelijk heeft zij hierdoor twee parlementszetels verloren, want de anders nogal PvdA-vaste Turkse kiezers liepen massaal over naar Groen-Links en D’66.  Maar het is vooral in Frankrijk dat deze kwestie regelmatig voor beroering zorgt.  De befaamde islamoloog Bernard Lewis werd er in 1995 door een rechtbank veroordeeld tot een symbolische franc schadevergoeding aan een forum van Armeense verenigingen, omdat hij verklaard had dat de omschrijving “genocide” slechts “de Armeense versie van de feiten” is. 

Laat het duidelijk zijn dat wij alle muilkorfwetten verwerpen, zodat historici de onbeperkte vrijheid hebben om de verschillende hypothesen inzake deze en andere massamoorden te onderzoeken.  En over de Armeense kwestie zijn er inderdaad eerlijke meningsverschillen mogelijk.  Turkse en pro-Turkse zegslieden hebben zo hun argumenten om twijfel te zaaien inzake het aantal slachtoffers; de intentie tot doden (de regering zou alleen deportatie verordend hebben, de moorden door de plaatselijke bevolking en de massasterfte door ontbering waren dan een onvoorzien neveneffect); en de uiteindelijke schuldtoewijzing, die de oorlogsomstandigheden en de Armeense collaboratie met de Russische vijand zou moeten in rekening brengen. 

Of men daarmee zoveel aan respectabiliteit wint, is echter nog maar de vraag, want dit zijn precies ook de strijdpunten van de holocaustrevisionisten.  Ook zij zeggen dat de dodentol van Auschwitz veel te hoog ingeschat wordt.  Ook zij zeggen dat de Duitsers de joden alleen maar gedeporteerd hebben, uit de bevolkingscentra naar de werkkampen, en dat er daar velen onbedoeld de dood gevonden hebben (bv. door tyfus, zoals Anne Frank) als gevolg van de verslechterende oorlogssituatie van Duitsland, dat de bevoorrading in voedsel, geneesmiddelen en ontsmettingsstoffen niet meer kon verzekeren.  En ook zij zeggen dat de joden in zekere mate zelf schuld hadden aan hun uitzonderingsbehandeling, namelijk omdat zij als een vijfde colonne van de vijand gezien werden, zeker door politieke leiders die als jong soldaat de Duitse nederlaag van 1918 aangevoeld hadden als het resultaat van een “dolkstoot” door joodse agitatoren op het thuisfront (getuige bv. Heinrich Himmler in zijn beruchte rede in Posen, oktober 1943).  Welbeschouwd gelijkt de ontkenning van de Armeense genocide dus nog veel nauwkeuriger op het holocaustrevisionisme dan haar critici tot nu toe betoogd hebben.

Hilarante genocide-claims

Sommige beschuldigingen van genocide zijn zodanig buiten proportie, dat zij alleen spot kunnen opwekken.  Toen de Spaanse rechter Baltasar Garzón de Chileense oud-president Augusto Pinochet wilde dagvaarden, had hij een uitleveringsgrond nodig die de gebruikelijke regelingen over verjaring en bescherming van ingezetenen tegen uitlevering kon overtroeven, en dat was dus de beschuldiging van genocide.  Bovendien moest Spanje op een of andere manier belanghebbende partij zijn.  Welnu, onder de honderden slachtoffers van de repressie onder Pinochet waren er ook drie Spanjaarden.  Voilà: Pinochet, een groot voorvechter van de Hispanidad, was schuldig aan “genocide op het Spaanse volk”.

In 2002 vonden in de Indiase deelstaat Gujarat godsdienstrellen tussen hindoes en moslims plaats.  De beroering was begonnen met de moord op 58 hindoe-pelgrims wier treinwagon door moslims in brand gestoken werd.  Maar omdat de hindoes in de meerderheid zijn, waren er na een week van geweld toch beduidend meer moslim-slachtoffers: 790 moslims, 254 hindoes.  Terreurdaden door moslims zijn wekelijkse kost in India, maar meestal houden hindoes het hoofd koel en komt er geen gewelddadige reactie.  Maar af en toe is er een druppel die de emmer van hun geduld doet overlopen, en dan krijg je zulke rellen.

Er zijn heel ruwweg 150 miljoen moslims in India.  Daarvan werd er tijdens deze geweldgolf ongeveer de helft van één duizendste van één procent gedood.  Spijtige zaak, maar alle verhoudingen in acht genomen toch vrij beperkt.  Welnu, de dominante linkse media in India en hun luidsprekers in de wereldpers noemen deze gebeurtenissen systematisch een “genocide”.  Voor deze absurde overdrijving bestaat een goede, of althans een begrijpelijke reden.

Op deelstaatniveau was en is in Gujarat de hindoe-nationalistische BJP (Bharatiya Janata Party, “Indiase Volkspartij”) aan de macht.  Sinds 1998 en tot 2004 vormde ook op federaal niveau een alliantie onder leiding van de BJP de regering.  In het decennium vóór de BJP-machtsovername hadden India-watchers allerhande ons bezworen dat de BJP een “fascistische” partij was, die de minderheden zou terroriseren, tot en met “gaskamers voor de moslims”.  Zelf heb ik me toen veel ellende op de hals gehaald door tegen deze consensus in te gaan.  Maar eens de BJP aan de macht was, bleek alles rustig te blijven.  De voorafgaande decennia waren er regelmatig religieuze geweldgolven geweest met telkens duizenden slachtoffers.  Bijvoorbeeld, in 1984 hadden militanten van de sociaaldemocratische Congrespartij de moord op hun leidster Indira Gandhi gewroken door drieduizend sikhs te vermoorden.  En nu, niets van die aard.  Waar bleven die fascistische gaskamers nou?

De eerste drie jaren van BJP-bewind waren voor de deskundologen dus een vreselijke tocht door de woestijn.  Het was zoiets als de Indiase zomer (mei-juni), wanneer het ook ’s nachts ondraaglijk heet blijft en je nergens voor de hitte kan schuilen.  Maar na de zomer komt de moesson (juli-augustus), en die eerste regenbui met zijn dikke lauwe druppels is een feest: “Regen, regen, eindelijk regen!”  Zoiets was dus het geweld in Gujarat voor de opiniehegemonen: de langverhoopte verlossing uit de bange twijfel dat er van al die vreselijke voorspellingen niets in huis zou komen.  En dan is een beetje overdrijving best vergeeflijk: laten we deze rellen maar meteen een “genocide” noemen.  De weldenkenden konden hun vreugde niet op: “Genocide, genocide, Allah zij dank, eindelijk een genocide!”

En zo kunnen we deze bedenkingen over een grimmig onderwerp toch nog op een positieve noot afsluiten.  Ik dank u.

 

 

 
Copyright © 2022 Koenraad Elst. All Rights Reserved.
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.