De wereld één familie? PDF Print E-mail
Written by Koenraad Elst   
Friday, 09 December 2011 11:19

 

Bij de opening van de India-tentoonstelling Tejas (“uitstralende energie”) te Brussel in 2006 luisterden premier Verhofstadt en buitenlandminister De Gucht naar een toespraak van mw. Sonia Gandhi, weduwe van oud-premier Rajiv Gandhi en voorzitster van de Indiase regeringspartij, het Congres. Zij debiteerde voorspelbare weetjes, dat België en India allebei democratieën zijn, rechtsstaten, federale staten bovendien. Ze prees het land aan dat ze vertegenwoordigde, en pikte er die nationale verdiensten uit die in de tijdsgeest passen. Niet dus de strijd voor nationale onafhankelijkheid tegen moslimse en koloniale bezetters (“geen vreemden tot meesters in ’t land”), maar wel het eeuwenoude pluralisme, dat inderdaad kenmerkend is voor India. Ze sloot haar verhaal af met een inzicht dat Indiërs ruim tweeduizend jaar geleden bedacht hebben: “Vasudhaiva kutumbakam, de hele wereld is één familie.”

Culturen en religies die in de moderne wereld functioneren, sloven zich uit om in hun erfgoed wat ideologisch modieuze elementen te vinden, en zetten die dan in het licht alsof die de essentie van hun hele traditie uitmaken. De meeste politieke leiders van India citeren de genoemde frase te pas en te onpas, en ze staat in steen gebeiteld op de muur van het parlementsgebouw. Ook de meeste religieuze leiders van het hindoeïsme, of toch diegene die in het Westen of in verwesterste kringen populariteit nastreven, verwijzen uitentreure naar de zin Vasudhaiva kutumbakam. Laat eens zien hoe lang dit nog gaat duren nu iemand de oorsprong hiervan nagetrokken heeft.

Sarvesh K. Tiwari (www.bhartendu.com) citeert het volledige tweevers waarin de frase voorkomt, in vertaling: “‘Dit is van mij en dat van de vreemde’ – is de berekening van de enggeestige; voor de groothartige daarentegen is de hele wereld één familie.” Hij stelt vast dat publieke figuren hier een enorme fetisj van gemaakt hebben: “Blijkbaar geeft het hun een esthetisch embleem van multiculturalisme en universalisme, evenals een antieke gezagsbron om nationalisme als enggeestig te veroordelen.” Dus gaat hij uitzoeken of het vers inderdaad die betekenis heeft, en hoe gezagvol de bron wel is waaruit het geciteerd wordt.

In tegenstelling met wat de meeste Indiërs menen, komt het vers helemaal niet uit de gezaghebbende Veda’s of Mahabharata. De korte versie, alleen Vasudhaiva kutumbakam, duikt voor het eerst op in de Pañcatantra (“vijf boeken”) van Visnu Sarma,  de klassieke fabelcollectie waaruit Aesopus, Jean de la Fontaine en vele anderen geput hebben.  Het verhaal gaat als volgt.

Vier jonge brahmanen, waaronder drie geschoolde dwazen en één ongeschoolde slimmerik, trekken uit hun dorp weg om hun geheime kennis in de grote stad te gelde te maken. Onderweg zeggen twee van de drie dat de ongeletterde eigenlijk beter kan teruggaan, hij zal toch van geen nut zijn. De derde geletterde dwaas zegt echter dat de ongeletterde wél mee mag omdat hij toch een jeugdvriend is, en zonder verdere aanleiding spreekt hij in zijn betoog ook de woorden “Vasudhaiva kutumbakam” uit. Ze gaan samen verder en even later zien ze het karkas van een dier. Ze besluiten als test de toverformules die ze geleerd hebben, te gebruiken om het dier weer tot leven te wekken. De eerste zorgt – abracadabra – dat het geraamte weer zijn vorm krijgt, de tweede doet er weer vlees aan groeien, en de derde, de goedaardige, begint er levenskracht in te blazen. De slimme ongeletterde onderbreekt hem met de waarschuwing: “Dit is een leeuw! Eens in leven zal hij ons verscheuren!” Omdat ze niet naar hem luisteren, zoekt hij veiligheid door in de hoogste boom te klimmen. Even later komt de leeuw tot leven en verslindt de drie.

In dit verhaal speelt de spreuk Vasudhaiva Kutumbakam eigenlijk geen rol, maar auteur Visnu Sarma maakt wel expliciet dat het de woorden zijn van een (weliswaar geleerde en goedhartige) dwaas. De locus classicus van die spreuk is een iets jongere fabelcollectie, de Hitopadesa, en daarin speelt hij wel een beslissende rol. Het boek was samengesteld in de 5de eeuw door Narayana Pandita als handboek voor enkele jonge prinsen die er in het conventioneel onderwijs weinig van terecht brachten en toch de noodzakelijke wereldwijsheid moesten verwerven. Het is een ingewikkelde constructie van verhalen binnen verhalen binnen verhalen, een formaat dat overgenomen is in de Duizend-en-één nacht. We bekijken het verhaal waarin het veelgeciteerde vers in zijn volledigheid voorkomt; en het verhaal waarin geantwoord wordt op het eerste verhaal. Beide komen voor in het hoofdstuk getiteld “(De kunst van het) vrienden maken”.

Het eerste gaat aldus. In een bos woonden twee vrienden, een hert en een kraai. Een jakhals kwam voorbij en zag begerig het gezonde hert. Maar omdat een hert snel is, wou hij het niet meteen opjagen, maar in de plaats daarvan zijn vertrouwen winnen. Hij groette het hert en stelde voor om vrienden te worden. Het naïeve hert nodigde hem uit naar zijn woonplaats. Onderweg kwamen ze de kraai tegen. Die vroeg het hert: “Met wie ben je nu op stap?” – “Met mijn nieuwe vriend.” – “Maar, ken je hem wel goed genoeg om hem meteen binnen te vragen? Men moet niemand als vriend behandelen zonder zijn achtergronden en ware bedoelingen te kennen.” – “Maar je ziet toch hoe vriendelijk hij is.”

Toen vertelde de kraai het hert een verhaal over een gier die door te goed vertrouwen aan zijn einde kwam (dat is het tweede verhaal en komt zo dadelijk), en besloot met de waarschuwing om de jakhals niet zomaar te vertrouwen. Het is op dit punt dat de jakhals tussenkomt met het argument dat zulk onderscheid tussen vertrouwd en vreemd maar enggeestig is, want “voor de groothartige is de hele wereld één familie”. Daarmee overtuigde hij het hert, en ze gingen samen verder. Zodra hij zijn kans zag, lokte hij het hert in de val. Maar de kraai was waakzaam gebleven en kwam net op tijd om de jakhals te doden.

De jakhals had gepleit tegen discriminatie, het hert had hem geloofd en liep daardoor in zijn ongeluk, de kraai had hem niet geloofd en kon daardoor op het nippertje het ergste verhoeden.

De leermeester Narayana Pandita die de prinsen in de staatkunde onderwijst, geeft hen hier duidelijk als les mee, nooit blind een nieuwkomer te vertrouwen maar eerst grondig diens aard, voorgeschiedenis en bedoeling te bestuderen. De geschetste fabel had nog net een goede afloop, omdat de kraai waakzaam was dankzij de les uit een andere fabel. Die gaat als volgt.

            In een vijgenboom boven een afgrond woonde een oude gier. Zijn klauwen waren niet scherp meer en zijn ogen nog minder. De andere vogels stopten hem uit medelijden wat van hun eigen voedsel toe. In ruil lette hij een beetje op de jongen van de andere vogels wanneer die erop uit waren. Op zekere dag kwam er een kat met de bedoeling de jonge vogeltjes op te eten. De gier zei haar: “Blijf hier weg of ik zal je doden.” – “Goed, goed, als ik de dood verdien, mag u me doden. Maar luister eerst naar mij. Ik ben spiritueel en vegetariër. Ik had al veel van uw wijsheid gehoord en ik wou van u leren. Nu verbaast het me om van u zulke onspirituele dingen te horen, tot en met het dreigement om een gast te doden. U kent ongetwijfeld toch de deugd der gastvrijheid?” En de kat begon uit de schriften de wetten der gastvrijheid te citeren, tot de gier hem onderbrak: “Hoor eens, ik weet alleen dit, dat jij een kat bent en dat katten kleine vogeltjes opeten. Ga onmiddellijk weg.”

De kat dreef haar drama nog wat verder en aanriep alle goden als getuigen van haar strikte geweldloosheid. Op de duur gaf de gier toe en de kat nestelde zich op de boom. De volgende dagen begon zij de vogeljongen op te eten, en telkens liet ze de beentjes vallen juist onder de plaats van de gier, die het door zijn verzwakte ogen niet kon zien. Toen de andere vogels merkten dat er van hun jongen verdwenen, onderzochten ze de zaak, terwijl de kat zich uit de voeten maakte. Ze vonden de beentjes, besloten dat de gier de schuldige was, en doodden hem terstond. “Hoewel hij onschuldig was en een oprechte vriend van de vogeltjes, betaalde hij voor zijn dwaasheid, gastvrijheid te verlenen aan iemand van de verkeerde soort”, zo besluit de verteller.

Narayana Pandita, uit wiens boek men zo graag “Vasudhaiva kutumbakam” citeert, leerde dus absoluut niet dat allen zonder onderscheid één familie vormen. Integendeel, hij waarschuwde dat dit een valse leer is, een smoes waarmee boosaardige mensen het laatste beetje wantrouwen bij naïevelingen uitschakelen om des te beter hun gangen te kunnen gaan. Hij maande zijn leerlingen juist aan om hun viveka te gebruiken, d.i. hun onderscheidingsvermogen, hun power of discrimination. De lezer zal begrepen hebben dat deze les lang niet alleen in India toepasselijk is.

(Nucleus, 2008)

 
Copyright © 2020 Koenraad Elst. All Rights Reserved.
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.